|

| |
|
Samenlevingsvormen
Affectieve relaties tussen twee personen worden door de wet geregeld
in de vorm van het huwelijk of in de vorm van het geregistreerd
partnerschap. Beide vormen staan ook open voor personen van gelijk
geslacht. De gevolgen die de wet aan het huwelijk en het geregistreerd
partnerschap verbindt, zijn op vermogensrechtelijk gebied dezelfde.
Een paar dat geen huwelijk of registratie wenst, kan de
vermogensrechtelijke gevolgen van de samenleving regelen met een
samenlevingscontract. Het gaat primair om afspraken tussen de partners
onderling. Het bestaan van een notarieel samenlevingscontract kan
echter voor de toepassing van bepaalde regelingen als voorwaarde
worden gesteld. In het bijzonder kan hier worden gedacht aan
partnerpensioenregelingen, secundaire arbeidsvoorwaarden en bepaalde
erfrechtelijke voorzieningen.
Verschillen
tussen huwelijk, geregistreerd partnerschap en samenwonen
Meer
informatie over:
|
|
trouwen
en geregistreerd partnerschap
|
|
huwelijk
met internationale aspecten
|
| samenwonen
/ samenlevingscontract |
| gezag
en voogdij |
|
|
|
Verschillen
tussen huwelijk, geregistreerd partnerschap en samenwonen
Vaak zal in het gesprek met de
(kandidaat-)notaris de vraag rijzen welke
verschillen bestaan tussen huwelijk, geregistreerd partnerschap en
ongehuwd samenleven met alleen een (notarieel) samenlevingscontract. De
belangrijkste verschillen zijn:
-
Formaliteiten
Zowel huwelijk als geregistreerd partnerschap komen tot stand bij de
ambtenaar van de burgerlijke stand. Ook de beëindiging van de relatie door
de echtgenoten of partners is gebonden aan formaliteiten. Aan ongehuwd
samenleven stelt de wet geen eisen. Een samenlevingscontract kan, maar hoeft
niet te worden gemaakt.
-
Levensonderhoud
Zowel gehuwden als geregistreerde partners zijn wettelijk verplicht elkaar
‘het nodige’ te verschaffen. Daarvan kan niet worden afgeweken. Na
beëindiging van de relatie kan een alimentatieplicht ontstaan. ‘Gewoon’
ongehuwd samenlevenden hebben jegens elkaar geen onderhoudsplicht. Bij de
vaststelling van het recht op en de hoogte van sommige uitkeringen, wordt
het inkomen van de andere samenlever wel in aanmerking genomen.
-
Gemeenschap van
goederen
Door het huwelijk of de registratie van het partnerschap ontstaat tussen de
echtgenoten of partners van rechtswege de algehele gemeenschap van goederen.
Van deze gemeenschap van goederen kan worden afgeweken door het maken van
huwelijkse voorwaarden of partnerschapsvoorwaarden.
Indien men ongehuwd gaat samenleven, ontstaat geen gemeenschap van goederen.
Wel kunnen goederen gezamenlijk in eigendom worden verkregen.
-
Huur
Indien een gehuwd of een geregistreerd persoon woonruimte huurt voor
gezamenlijke bewoning, is diens echtgenoot of geregistreerde partner
automatisch medehuurder. Een ‘gewoon’ ongehuwd samenlevende partner is
dat niet. Wel kunnen zij gezamenlijk een verzoek daartoe aan de verhuurder
doen. Als de samenwoning twee jaar heeft geduurd, moet de verhuurder hem of
haar in beginsel als medehuurder erkennen. Vóór die instemming heeft de
partner van de huurder geen rechten met betrekking tot de woning.
-
Pensioen
Deelnemers aan een (aanvullende) pensioenregeling bouwen ouderdomspensioen
en nabestaandenpensioen (weduwen- en weduwnaarspensioen) op. Daarvoor worden
bij het pensioenfonds rechten opgebouwd. Voor het geval van echtscheiding of
beëindiging van geregistreerd partnerschap heeft de wetgever geregeld wat
met die rechten dient te geschieden. Van toepassing is de ‘Wet verevening
pensioenrechten bij scheiding’. Het tijdens het bestaan van het huwelijk
of het geregistreerd partnerschap opgebouwde ouderdomspensioen wordt ¬
tussen de gewezen echtgenoten/partners verdeeld. Het nabestaandenpensioen
komt, voor zover opgebouwd tot de scheidingsdatum, alleen toe aan de gewezen
echtgenoot/partner.
De meeste pensioenfondsen kennen voor ongehuwd samen¬ levenden een
partnerpensioen. Dat is te vergelijken met het nabestaandenpensioen. Er
bestaat geen regeling voor het ouderdomspensioen. Om voor het
partnerpensioen in aanmerking te komen dient aan enige vereisten te worden
voldaan. Die verschillen van fonds tot fonds. Meestal wordt een notarieel
samenlevingscontract verlangd. De wet pensioenrechten is niet van toepassing
op “gewoon” ongehuwd samenlevenden.
-
Erfrecht
In geval van huwelijk en geregistreerd partnerschap erft de langstlevende
echtgenoot of partner volgens de wet samen met de kinderen. In het huidige
erfrecht erven de kinderen slechts een vordering op de langstlevende en
behoudt de langstlevende de hele nalatenschap. Volgens de wet erven ‘gewoon’
ongehuwd samenlevenden niet van elkaar. ‘Gewoon’ ongehuwd samenlevenden
moeten daarom een testament maken.
-
Successierecht
Deze belasting wordt geheven over hetgeen uit iemands nalatenschap wordt
verkregen. Een langstlevende echtgenoot of langstlevende geregistreerde
partner geniet een vrijstelling van 532.667 euro (2008), ongeacht hoe lang
het huwelijk of de registratie duurde. Op die vrijstelling wordt echter in
mindering gebracht de helft van de waarde van pensioenaanspraken [en
dergelijke]. De vrijstelling bedraagt echter minimaal 149.622 euro (2008).
Over het hetgeen meer dan het vrijgestelde bedrag wordt verkregen, wordt
5-27% successierecht betaald, afhankelijk van de waarde van de verkrijging.
Voor ‘gewoon’ ongehuwd samenwonenden geldt een minder ruimhartige
regeling. Indien de gemeenschappelijke huishouding minder dan twee jaar
heeft geduurd, bestaat er in beginsel geen vrijstelling. Na het verstrijken
van de periode van twee jaar loopt de vrijstelling in drie jaar geleidelijk
op naar hetzelfde bedrag als geldt voor gehuwden. Zo lang de termijn van
vijf jaar niet is verstreken wordt belasting geheven naar een tarief van
41-68%. Pas na vijf jaar valt men in het gehuwdentarief [5-27%]
Samenwoners die
langer dan 6 maanden: -
samenwonen;
- ingeschreven staan op hetzelfde woonadres in de gemeentelijke
basisadministratie;
- en de zorgverplichting hebben vastgelegd in een notarieel
samenlevingscontract;
hebben direct een vrijstelling van 532.667 euro (2008). Dat is anders als
de samenwoners bloedverwanten in rechte lijn zijn (bijvoorbeeld ouders of
kinderen) of als de samenwoners zich voor de heffing van de
inkomstenbelasting hadden kunnen laten kwalificeren als partner, maar dit
hebben nagelaten gedurende vijf jaar voorafgaande aan het moment van
overlijden van een van de samenwoners.
-
Kinderen
Van belang is nu of tussen een ouder en een kind 'familierechtelijke
betrekkingen' bestaan.
Dat heeft gevolgen voor de geslachtsnaam, het gezag (ouderlijk
gezag/voogdij), het omgangsrecht en het erfrecht.
Huwelijk man/vrouw
Wanneer sprake is van een huwelijk tussen een man en een vrouw bestaan tussen
een uit een huwelijk geboren kind en zijn beide ouders automatisch
familierechtelijke betrekkingen.
Huwelijk van twee vrouwen
Als in een huwelijk van twee vrouwen een kind wordt geboren, is de vrouw die
het kind baart de moeder. Maar de vrouw met wie zij is getrouwd, is niet
volgens de wet automatisch de andere ouder. Huwelijk
van twee mannen
Hetzelfde geldt als twee met elkaar getrouwde mannen samen een kind verzorgen
en opvoeden en één van hen de vader is van het kind. Onderhoudsplicht
jegens kinderen
Wel is het zo dat de niet-ouder in een huwelijk van twee vrouwen of twee
mannen als stiefouder een onderhoudsplicht jegens de kinderen in het gezin
heeft. Deze plicht duurt in elk geval zo lang het huwelijk duurt.
Andere rechten en plichten kunnen alleen ontstaan door adoptie of door
gezamenlijk gezag. Adoptie
De niet-ouder kan het kind adopteren. Hierdoor wordt hij of zij in juridisch
opzicht de ouder van het kind. Alle juridische familiebanden met de
oorspronkelijke ouder (als die er is) worden dan doorgesneden. Dit is een
ingrijpende stap en er gelden dan ook strenge voorwaarden. Gezamenlijk
gezag
De tweede mogelijkheid is minder ingrijpend en ligt praktisch soms meer voor
de hand. Als de niet-ouder een nauwe persoonlijke band heeft met het kind,
kunnen de ouder en de niet-ouder aan de rechter vragen om aan hen het
gezamenlijke gezag toe te kennen. De niet-ouder heeft in dat geval dezelfde
gezagsrechten en plichten als de ouder. Hij of zij is dan samen met de ouder
in alle opzichten verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding van het
kind. De ouder en zijn of haar echtgenoot kunnen de rechter ook vragen om de
achternaam van het kind te wijzigen in die van de ouder of de
echtgenoot.
Over een kind dat tijdens een geregistreerd partnerschap of een huwelijk
tussen personen van hetzelfde geslacht wordt geboren, hebben de ouder en de
echtgenoot/partner automatisch het gezamenlijk gezag, als er geen andere ouder
is. Zijn de beide geregistreerde partners ouder, dan hebben zij altijd het
gezamenlijk gezag. Zijn de ongehuwd samenwonenden de vader en moeder van het
kind, dan kunnen zij het gezamenlijk gezag verkrijgen door een aantekening op
hun verzoek in het gezagsregister bij de rechtbank. Geregistreerde
partners en ongehuwd samenwonenden
Bij ongehuwd samenleven ontstaan door de geboorte alleen familie¬rechtelijke
betrekkingen tussen de moeder en het kind. Familierechtelijke betrekkingen tot
de vader ontstaan eerst doordat deze het kind erkent. Deze erkenning kan reeds
tijdens de zwangerschap geschieden. Erkenning is mogelijk bij de ambtenaar van
de burgerlijke stand en bij de notaris.
Voor de erkenning is in beginsel de toestemming van de moeder nodig. rechtbank
kan vervangende toestemming geven indien de man de verwekker is van het kind
en de belangen van moeder en kind daardoor niet worden geschaad.

Top
|
|
Trouwen
en geregistreerd partnerschap
|
| |
|
Gevolgen
Sinds 1 april 2001 is het huwelijk een samenlevingsverband van een man
en een vrouw, twee mannen of twee vrouwen.
Slechts duurzame ontwrichting van de relatie vormt een grond voor
echtscheiding.
De vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk worden geregeld door het
huwelijksvermogensrecht.
Door middel van een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden - in de
praktijk spreekt men doorgaans van 'huwelijkse voorwaarden'- kan worden
afgeweken van een aantal wettelijke regels. Dat moet vrijwel altijd bij
notariële akte.
Al vanaf 1 januari 1998 biedt de wet de mogelijkheid aan twee personen van
hetzelfde of van verschillend geslacht om hun relatie bij de burgerlijke
stand te laten registreren. Voor de gevolgen van het 'geregistreerd
partnerschap' gelden dezelfde wettelijk regels als voor het huwelijk
(huwelijksvermogensrecht).
In dit onderdeel van de site zullen gemakshalve overwegend de termen
'huwelijk', 'huwelijkse voorwaarden' en 'echtgenoot' worden gebruikt.
Tenzij anders blijkt, geldt hetgeen geschreven wordt dus ook voor
partnerschapsvoorwaarden en voor geregistreerde partners.
|
|
gemeenschap
van goederen
Door de voltrekking van het huwelijk (waaronder hierna tevens te
begrijpen het 'geregistreerd partnerschap') ontstaat een algehele
gemeenschap van goederen. Alle schulden zijn in beginsel
gemeenschappelijk. Dat betekent dat iedere schuldeiser van de echtgenoten
zich kan verhalen op de gehele gemeenschap. Na echtscheiding wordt men ook
voor de helft aansprakelijk voor de gemeenschapsschulden die de ander
heeft gemaakt.
Schenkingen en erfrechtelijke verkrijgingen zullen vaak niet tot de
gemeenschap behoren omdat de erflater of schenker bepaalt dat hetgeen
wordt verkregen niet in een huwelijksgemeenschap valt.
Een voordeel van de gemeenschap van goederen is dat de echtgenoot die
niet of weinig inkomsten uit arbeid heeft, deelt in de opbouw van het
vermogen. Huishoudelijke en opvoedkundige arbeid wordt aldus indirect
beloond.
Ingeval van overlijden overlijden van een echtgenoot is de helft van de
gemeenschap van goederen zijn nalatenschap. De andere helft behoort op
grond van de wet toe aan de andere echtgenoot.
Bij echtscheiding wordt het gemeenschappelijk vermogen gedeeld.
'Redelijkheid en billijkheid' spelen dan een grote rol. Deze kunnen er toe
leiden dat bijvoorbeeld een huis of een onderneming (aandelen) worden
toegedeeld aan één van beiden en dat de ander genoegen moet nemen met
geld. Als een echtgenoot een onderneming drijft is het vaak van belang om
huwelijkse voorwaarden te maken. Echtscheiding kan anders te veel gevaren
opleveren voor de continuïteit van de onderneming. Bij de regeling mag
echter het belang van de echtgenoot van de ondernemer niet uit het oog
worden verloren.
|
|
huwelijksvoorwaarden
en partnerschapsvoorwaarden
Door het opmaken van huwelijkse voorwaarden kan worden afgeweken van de
wettelijke algehele gemeenschap van goederen. Wie huwelijkse voorwaarden
wil maken, heeft in beginsel een grote mate van vrijheid
(contractsvrijheid). Maar niet kan worden afgeweken van regels die
'gezinsbescherming' beogen. Zo is altijd de toestemming van de andere
echtgenoot vereist voor onder andere het verkopen of met hypotheek
belasten van de gezamenlijk bewoonde woning en voor het doen van
schenkingen. Ook de wederzijdse onderhoudsplicht is een belangrijke
regeling van dwingende aard.
Voor de inrichting van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden zijn o.a.
van belang:
 | de wens het bestaande en/of toekomstige inkomen en vermogen te
delen;
 | de bereidheid het 'verlies in verdiencapaciteit', dat kan optreden
door het uitoefenen van verzorgende en opvoedende taken, te
compenseren;
 | de wenselijkheid een onderneming te beschermen tegen de gevolgen van
echtscheiding of schulden van de andere echtgenoot;
 | de mate waarin partijen het ouderdoms- en nabestaandenpensioen bij
echtscheiding wensen te delen;
 | de verzorging van de overblijvende partner in geval van overlijden.
|
| | | |
Een lastig probleem bij het opstellen van een overeenkomst van
huwelijkse voorwaarden is dat de overeenkomst wordt aangegaan voor een
lange duur. Er moet daarom zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de
mogelijkheid dat omstandigheden veranderen.
|
|
soorten
voorwaarden
|
Soorten huwelijkse voorwaarden of
partnerschapsvoorwaarden
Koude uitsluiting
Koude uitsluiting noemt men de overeenkomst van huwelijkse
voorwaarden waarbij tussen partijen geen enkele gemeenschap van
goederen bestaat. Het woord 'koud' heeft betrekking op het feit
dat partijen op geen enkele wijze hun inkomen en vermogenstoename
verrekenen (delen). Deze huwelijkse voorwaarden zorgen ervoor dat
tussen de echtgenoten een minimum aan financiële banden bestaat.
Het enige dat hen financieel bindt, is de wettelijke verplichting
elkander 'het nodige' te verschaffen.
Deze huwelijkse voorwaarden houden grote risico's in voor een
echtgenoot die, nu of in de toekomst, geen eigen inkomen heeft.
Hij of (meestal) zij deelt in geen enkel opzicht in de
vermogens-toename die bij de andere echtgenoot optreedt, terwijl
hij geen eigen vermogen kan vormen. Niettemin kunnen deze
huwelijkse voorwaarden aanvaardbaar zijn, bijvoorbeeld als de
economische zelfstandigheid van een partner door het huwelijk niet
in gevaar komt of als ouderen trouwen.
Beperkte gemeenschap
De wet biedt de mogelijkheid om bij huwelijkse voorwaarden voor
een beperkte gemeenschap van goederen te kiezen. De gemeenschap
omvat dan bijvoorbeeld al hetgeen tijdens het huwelijk wordt
verkregen, anders dan door schenking of erfrecht. Voor de rest
bestaat dan een gemeenschap, met onder andere het gevolg dat de
schulden van ieder der echtgenoten kunnen worden verhaald op de
gehele gemeenschap. In de praktijk komen zulke huwelijkse
voorwaarden nauwelijks voor. Dat is vooral ook te wijten aan het
feit dat de meeste echtgenoten er niet in slagen ieders eigen
vermogen én het gemeenschappelijk vermogen uit elkaar te houden.
Verrekenstelsels
Het elders geschetste bezwaar tegen de 'koude uitsluiting' (geen
deling van inkomsten) wordt in de praktijk ondervangen door aan de
uitsluiting van iedere gemeenschap een of meer verrekenbedingen
toe te voegen.
Men spreekt van een 'periodiek verrekenbeding' ingeval het beding
verplicht tot jaarlijkse verrekening van de gespaarde inkomsten.
Vaak wordt de verrekening beperkt tot de inkomsten uit arbeid.
Rente, dividend en dergelijke vallen er dan niet onder.
Als de verrekening niet periodiek maar slechts aan het eind van de
rit (echtscheiding, overlijden) moet gebeuren, is er sprake van
een 'finaal verrekenbeding'.
In geval van overlijden wordt vaak dan meestal afgerekend alsof
algehele gemeenschap had bestaan. Bij echtscheiding wordt van de
verrekening uitgesloten hetgeen ten huwelijk is aangebracht en
hetgeen krachtens schenking of erfrecht is verkregen.
Doorgaans worden zowel een periodiek als een finaal verrekenbeding
opgenomen. Daardoor wordt voorkomen dat problemen ontstaan doordat
geen verrekening gedurende de huwelijksjaren plaatsvindt. Het
opnemen van een periodiek verrekenbeding is toch zinvol omdat het
de mogelijkheid opent tijdens het huwelijk vermogen over te
hevelen van de een naar de ander. Dat kan dan niet als een
schenking worden aangemerkt.
Het verdient aanbeveling in de huwelijkse voorwaarden vast te
leggen wat onder 'inkomsten' wordt verstaan. In het algemeen zal
daarbij ook moeten worden gelet op de winst die wordt gemaakt in
een BV waarin één van beiden de meerderheid of alle aandelen
houdt, danwel tevens directeur is. In die hoedanigheid kan hij de
hoogte van het inkomen verregaand beïnvloeden.
|
|
|
huishoudkosten
Meestal wordt overeengekomen dat partijen de kosten van de huishouding
voor hun rekening nemen naar evenredigheid van hun netto-inkomsten (uit
arbeid).
Veelal verdient het aanbeveling te omschrijven wat als kosten van de
huishouding wordt aangemerkt. Rente (bijvoorbeeld voor een
woninghypotheek) en huur vallen daar zeker onder. Maar ook autokosten,
onroerende zaakbelasting en kosten van kinderopvang kunnen daaronder
worden begrepen.
|
|
en/of
rekening
Het aanhouden van een zogenaamde 'en/of-rekening' is praktisch. Ten
laste daarvan kunnen bijv. de kosten van de huishouding worden betaald.
Ingeval gekozen is voor een -verrekenbeding betreffende de inkomsten (uit
arbeid), kan ieders inkomen op die rekening worden gestort. Tot het saldo
op die rekening zijn beiden dan krachtens het verrekenbeding voor de helft
gerechtigd.
Het gebruik van een en/of-rekening betekent niet automatisch dat het
tegoed aan ieder van de partners voor de helft toekomt. Met 'en/of' wordt
slechts aangeduid dat de partners zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk
over het tegoed kunnen beschikken. Het tegoed komt in beginsel toe aan
degene die het op de rekening gestort heeft of heeft laten storten.
|
|
inboedel
en dergelijke
Het feit dat iedere huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap bij
huwelijkse voorwaarden is uitgesloten, verhindert niet dat bijvoorbeeld
inboedelgoederen op naam van beide echtgenoten worden 'gezet'.
Maar inboedel kan ook uitdrukkelijk aan een van beide echtgenoten
toebehoren. Indien administratie ontbreekt, zal de bewijslevering echter
niet steeds eenvoudig zijn.
Daarom wordt bijvoorbeeld bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden
ten aanzien van de al aanwezige goederen vaak (onaantastbaar) vastgelegd
wat van wie is. De (kandidaat-)notaris zal daarom vragen of partijen de
aanbreng van ieder van hen gespecificeerd op een lijst willen vermelden.
Van alle op de lijst vermelde goederen staat vast wie de eigenaar is en
daarover kan geen geschil ontstaan.
|
|
eigen
woning
Het feit dat iedere huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap bij
huwelijkse voorwaarden is uitgesloten, verhindert niet dat bijvoorbeeld
een huis op naam van beide echtgenoten wordt 'gezet'. Tot ieders eigen
vermogen behoort dan de helft van dat huis. Schuldeisers van één der
echtgenoten kunnen zich dan slechts verhalen op die helft.
Ingeval een huis geheel of gedeeltelijk op naam wordt gezet van een ander
dan degene die de koopprijs betaalt, is het raadzaam de gevolgen van deze
betaling schriftelijk vast te leggen. Bij eventuele scheiding, maar ook
bij overlijden, kunnen anders grote problemen ontstaan. Het is goed zich
door de (kandidaat-)notaris te laten voorlichten.
|
|
(spaar)hypotheek
Indien het huis wordt gefinancierd met behulp van een hypothecaire
lening, behoort de verschuldigde rente tot de kosten van de huishouding.
Aflossingen komen voor rekening van de eigenaren in verhouding tot ieders
deel in de eigendom. Betaalt de een te veel aan aflossing dan ontstaat een
vergoedingsrecht jegens de ander.
Vaak behoeft op een hypothecaire lening of een deel daarvan niet periodiek
te worden afgelost. In plaats daarvan is dan doorgaans een spaarregeling
getroffen. In plaats van aflossingen betaalt men spaarpremies aan een
verzekeringsmaatschappij. Gedurende de looptijd van de lening (veelal
dertig jaar) wordt dan een bedrag gespaard dat samen met de (gefixeerde)
beleggingswinst gelijk is aan het totale geleende bedrag. De premies zijn,
evenals aflossingen, fiscaal niet aftrekbaar maar de beleggingswinst is
onder omstandigheden vrij van inkomstenbelasting.
|
|
overlijdensrisicoverzekering
Bij een spaarhypotheek wordt het risico van voortijdig overlijden
gedekt door een overlijdensrisicoverzekering.
Een uitkering op grond van een overlijdensrisicoverzekering wordt met
successierecht belast indien voor de verkrijging 'iets' aan het vermogen
van de overledene is onttrokken, zoals premies voor de verzekering. Om te
voorkomen dat successierecht moet worden betaald dient er op te worden
gelet:
- dat de premies verschuldigd zijn door een ander dan de verzekerde
(de overledene), en
-
dat de huwelijkse voorwaarden zodanig zijn ingericht dat premies
niet indirect geheel of ten dele voor rekening komen van de verzekerde
(de overledene)(bijvoorbeeld via een verrekenbeding).
Het voorgaande houdt tevens in dat het bij de 'spaarhypotheek' nodig is
de premie te splitsen in een spaarpremie en een risicopremie.
De (kandidaat-)notaris kan u ook over dit moeilijke onderwerp nadere
informatie verschaffen.
|
|
pensioen
Elders werd reeds gewezen op de 'Wet pensioenverevening bij scheiding'.
Deze wet regelt de deling bij helfte (de zogenaamde verevening) van het
tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen. Bij huwelijkse
voorwaarden kan men van die regeling afwijken, onder andere door ook het
vóór het huwelijk opgebouwde pensioen in de verevening te betrekken. Ook
kan worden afgezien van iedere verevening.
|
|
tweede
huwelijk / geregistreerd partnerschap
Voor wie in het huwelijk treedt en kinderen heeft uit een eerdere
relatie, zal het maken van huwelijkse voorwaarden vaak zeer wenselijk
zijn. Zonder huwelijkse voorwaarden ontstaat immers een gemeenschap van
goederen. Dat kan voordelig zijn indien de partner vermogender is. Het is
echter nadelig ingeval de nieuwe partner minder vermogen bezit. Daarbij
moet u bedenken dat er geen garantie bestaat dat het door huwelijk
verkregen vermogen terugkeert naar de familie waar het vandaan kwam.
Volgens de wet erven echtgenoten van elkaar een kindsdeel, maar erven
kinderen niet van hun stiefouder. Om dat te bereiken moet de stiefouder
een testament maken. Een testament kunt u altijd wijzigen (herroepen).
Hiermee vervalt het testament dat u al had gemaakt.
|
|
Aangaan,
wijziging of opheffing van voorwaarden
Tijdens het huwelijk kunnen huwelijkse voorwaarden worden gewijzigd of
alsnog worden aangegaan. Aangezien het een overeenkomst betreft, is de
medewerking van beide partijen nodig. Voor wijziging (opheffing) kan reden
bestaan met het oog op de toekomstige heffing van successierecht maar ook
om (meer) evenwichtige economische verhoudingen tussen de echtgenoten te
creëren.
Voor het maken of wijzigen van huwelijkse voorwaarden tijdens het huwelijk
is de goedkeuring van de rechtbank vereist, hetgeen kostenverhogend werkt.
Indien men, nadat men is geregistreerd als partners, met dezelfde partner
wil trouwen en voor dát huwelijk huwelijkse voorwaarden wil maken (danwel
de eerder gemaakte partnerschapsvoorwaarden wil wijzigen), is voor de
huwelijkse voorwaarden goedkeuring van de rechtbank vereist. Als men de
eerder gemaakte partnerschapsvoorwaarden wil handhaven, dan is het niet
nodig om ter gelegenheid van het sluiten van het (opvolgend) huwelijk
huwelijkse voorwaarden te maken. De partnerschapsvoorwaarden blijven als
huwelijkse voorwaarden van kracht.
|
|
checklist
De (kandidaat-)notaris is de deskundige bij uitstek op het gebied van
de huwelijkse voorwaarden. Een notariële akte is wettelijk vereist. De
inrichting van de overeenkomst hangt echter vooral af van de wensen van
partijen. In het overleg met de (kandidaat-)notaris zullen meestal de
volgende vragen aan de orde komen:
 | In hoeverre willen partijen hun vermogen (aanbreng, schenkingen,
erfenissen) delen?
 | Willen partijen hun (arbeids)inkomsten delen?
 | In welke verhouding nemen partijen de kosten van de huishouding voor
hun rekening?
 | Dient het belang van een onderneming (BV) bijzondere aandacht te
hebben?
 | Wat moet er geregeld worden ten aanzien van het huis en de
financiering daarvan?
 | Hoe wordt het huwelijk afgewikkeld bij een eventuele echtscheiding?
 | Wat zijn de gevolgen van het overlijden van één van beiden?
 | Heeft het aangaan van huwelijkse voorwaarden gevolgen op het gebied
van het pensioen?
 | Waarop dient bij het afsluiten van levensverzekeringen en de
betaling van de premie te worden gelet? |
| | | | | | | |

Top |
|
Huwelijk over de grenzen
Deze informatie gaat over het huwelijksvermogensrecht in internationaal
verband. De belangrijkste regels van het hiermee samenhangende Haags
Huwelijksvermogensverdrag 1978 worden in dit onderdeel uiteengezet. Van
bijzonder belang hierbij is de regeling van de rechtskeuze.
Deze informatie is bestemd voor mensen die getrouwd zijn of van plan
zijn te trouwen. De informatie is met name belangrijk voor diegenen van
wie het (aanstaande) huwelijk internationale aspecten vertoont.
De informatie geldt vooralsnog niet voor geregistreerde partners, van wie
het geregistreerde partnerschap internationale aspecten vertoont. Ook ten
aanzien van echtparen van hetzelfde geslacht van wie het huwelijk
internationale aspecten vertoont, is vooralsnog niet duidelijk of het
verdrag van toepassing is.
Huwelijksvermogensrecht in
Nederland
Algemeen
Het huwelijk heeft belangrijke gevolgen. Het heeft onder meer
gevolgen voor de positie van de kinderen die gedurende het huwelijk
worden geboren. Het huwelijk heeft ook gevolgen voor het erfrecht en de
rechten op sociale en andere uitkeringen, zoals bijvoorbeeld
pensioenaanspraken van weduwen of weduwnaars. Niet in de laatste plaats
heeft het huwelijk gevolgen voor het vermogen van de echtgenoten.
Hiervoor kent de wet bijzondere regels, die samen het
huwelijksvermogensrecht vormen.
Nederlands
huwelijksvermogensrecht
Het huwelijk heeft gevolgen voor de eigendom van de
goederen die u en uw echtgenoot* bezitten. Het geheel van regels voor de
bezittingen en de schulden van echtgenoten wordt huwelijksvermogensrecht
genoemd. Echtgenoten kunnen volgens Nederlands recht hun
huwelijksvermogen op verschillende manieren inrichten: of op basis van
het wettelijk stelsel of op basis van huwelijkse voorwaarden.
* In deze tekst wordt steeds met echtgenoot ook bedoeld echtgenote.
Wettelijk stelsel
Het Nederlands wettelijk stelsel bepaalt dat alle bezittingen en
schulden die u en uw echtgenoot vóór het huwelijk hadden, samenvloeien
op het moment dat u trouwt. Ook alle bezittingen en schulden die er
tijdens het huwelijk bijkomen, zijn in beginsel gemeenschappelijk. Dit
wordt de algehele gemeenschap van goederen genoemd. Na de beëindiging
van uw huwelijk door overlijden of echtscheiding wordt het
gemeenschappelijk vermogen in beginsel zo verdeeld dat u de helft krijgt
van de bezittingen en schulden. Dit wettelijk stelsel geldt wanneer de
echtgenoten zelf niets geregeld hebben.
Huwelijkse voorwaarden
U kunt van het wettelijk stelsel afwijken door met uw echtgenoot
een regeling te treffen in huwelijkse voorwaarden. Hiermee kunt u
bijvoorbeeld voorkomen dat de schulden, gemaakt door uw echtgenoot,
verhaald kunnen worden op uw eigen vermogen. Na de beëindiging van uw
huwelijk door overlijden of echtscheiding worden bovendien de schulden
en bezittingen verdeeld volgens de huwelijkse voorwaarden. In Nederland
moet u deze huwelijkse voorwaarden laten maken door de notaris. De
notaris zorgt ervoor dat de huwelijkse voorwaarden worden opgenomen in
het openbare huwelijksgoederenregister. Dit register ligt voor iedereen
ter inzage bij de griffie van de rechtbank in het arrondissement waar u
bent getrouwd. Een schuldeiser van u of uw echtgenoot kan dus nagaan of
u op huwelijkse voorwaarden bent getrouwd en zo ja welke huwelijkse
voorwaarden in uw geval zijn gemaakt. In de huwelijkse voorwaarden kunt
u niet onbeperkt regelen wat u wilt. De notaris kan alleen huwelijkse
voorwaarden maken die de wet toestaat.
De huwelijkse voorwaarden kunt u zowel voor als tijdens uw huwelijk
laten maken. Tijdens het huwelijk is dit echter omslachtiger en duurder.
Buitenlands
huwelijksvermogensrecht
Ieder land heeft zijn eigen regels van huwelijksvermogensrecht. Vaak
verschillen deze van de Nederlandse regels. In andere landen bestaat het
wettelijk stelsel bijna nooit uit een algehele gemeenschap van goederen
zoals in het Nederlandse recht. Zo zijn er landen waar de regel geldt dat
ieder van de echtgenoten van zijn eigen bezittingen eigenaar is en blijft
na de huwelijkssluiting. De andere echtgenoot heeft met die bezittingen
niets te maken. In de meeste landen is het echter meestal ook mogelijk van
het wettelijk stelsel af te wijken door het maken van huwelijkse
voorwaarden
Huwelijk met internationale
aspecten
Definitie
U kunt met buitenlands recht te maken krijgen als uw huwelijk
internationale aspecten vertoont. Uw huwelijk heeft internationale
aspecten wanneer u en/of uw (aanstaande) echtgenoot:
 | een buitenlandse (dat wil zeggen niet-Nederlandse) nationaliteit
heeft; of
 | tijdens het huwelijk in het buitenland heeft gewoond en zich daarna
in Nederland vestigt; of
 | tijdens het huwelijk in Nederland heeft gewoond en u van plan bent u
in het buitenland te vestigen; of
 | tijdens uw huwelijk een tijdlang in Nederland heeft gewoond en thans
in het buitenland woont; of
 | tijdens het huwelijk van nationaliteit verandert (naturalisatie);
 | bezittingen in het buitenland heeft (bijvoorbeeld een bankrekening
of een huis); of
 | tijdens uw huwelijk 10 jaar aaneengesloten woonachtig bent (geweest)
in een land waarvan u de nationaliteit niet heeft. |
| | | | | |
Uw huwelijk heeft geen internationale aspecten wanneer u en uw
echtgenoot op het moment dat u met elkaar trouwt Nederlander bent en u
bovendien altijd met uw echtgenoot in Nederland heeft gewoond, geen
bezittingen in het buitenland heeft, geen plannen heeft om u in het
buitenland te vestigen of aldaar een huis te kopen.
Wanneer geldt welk recht?
Internationaal privaatrecht
Wanneer uw huwelijk internationale aspecten heeft moet u zich
afvragen of u wel onder het Nederlandse recht valt. Het is namelijk niet
vanzelfsprekend dat u onder het Nederlandse huwelijksvermogensrecht valt.
Of u onder het Nederlandse recht of onder het recht van een ander land
valt, wordt bepaald door de regels van internationaal privaatrecht. Ieder
land heeft zijn eigen regels van internationaal privaatrecht. In Nederland
passen de autoriteiten (rechters, (kandidaat-)notarissen e.d.) de regels
van het Nederlandse internationaal privaatrecht toe (en dat ongeacht uw
eigen nationaliteit). In bijvoorbeeld België of Frankrijk worden de
regels van het Belgische respectievelijk het Franse internationaal
privaatrecht toegepast (en dat ongeacht uw nationaliteit).
Toepassing van verschillende regels van internationaal privaatrecht kan
tot verschillende, soms tegenstrijdige resultaten leiden. Om dat te
voorkomen sluiten landen verdragen. De landen die partij worden bij een
verdrag passen dan dezelfde verdragsregels toe.
Voor het huwelijksvermogensrecht is er zo'n verdrag: het Haags
Huwelijksvermogensverdrag 1978.
Verdragslanden
Momenteel zijn er drie landen bij het Haags
Huwelijksvermogensverdrag 1978 aangesloten: het Koninkrijk der Nederlanden
(alleen voor Nederland en niet voor Aruba of de Nederlandse Antillen),
Frankrijk en Luxemburg. Het verdrag voor deze landen is per 1 september
1992 in werking getreden.
Voor wie geldt het verdrag?
Bij de toepassing van de regels van het Haags
Huwelijksvermogensverdrag 1978 is de huwelijksdatum van doorslaggevende
betekenis. Van belang is met name of u vóór dan wel op of ná
1 september 1992 bent getrouwd.
U bent vóór 1 september 1992 getrouwd
Voor u is het verdrag alleen belangrijk in verband met de
rechtskeuze. De overige regels van het verdrag zijn voor u niet van
belang. Om te bepalen welk recht op uw huwelijksvermogensregime van
toepassing is, moeten andere regels worden toegepast. Deze regels zijn te
vinden in een oud verdrag of in de rechtspraak. De (kandidaat-)notaris kan
u hierover informeren.
U bent op of ná 1 september 1992 getrouwd
Het verdrag is met name van belang voor diegenen van wie de
huwelijksdatum op of ná 1 september 1992 valt. Wanneer u getrouwd bent op
of gaat trouwen (c.q. getrouwd bent) ná 1 september 1992 gelden altijd de
regels van het verdrag van 1978.
Wie kan een rechtskeuze uitbrengen?
Het verdrag geeft u de mogelijkheid om zelf te kiezen welk recht op
uw huwelijksvermogensregime van toepassing zal zijn. Dit noemt men het
uitbrengen van een rechtskeuze. Iedereen kan sinds 1 september 1992 zo'n
rechtskeuze uitbrengen.
U bent getrouwd vóór 1 september 1992
U kunt op dit moment een rechtskeuze uitbrengen.
U bent getrouwd op of ná 1 september 1992
Ook wanneer u bent getrouwd op of gaat trouwen ná 1 september 1992
kunt u op dit moment een rechtskeuze uitbrengen.
| De hoofdregels van
het verdrag
Basis
Vóór alles geldt dat het recht van toepassing is dat u
zelf hebt uitgekozen, de zogenaamde rechtskeuze. Als u geen
rechtskeuze hebt gedaan, bepaalt het verdrag welk recht van
toepassing is op uw huwelijksvermogensregime. De belangrijkste
criteria die het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 daarbij
hanteert zijn of u uit een nationaliteitsland of woonplaatsland
afkomstig bent. En of u op het moment van de huwelijkssluiting een
gemeenschappelijke nationaliteit heeft (of had). Drie belangrijke
begrippen uit het verdrag zijn dus;
 | nationaliteitsland
 | woonplaatsland
 | gemeenschappelijke nationaliteit |
| |
Hieronder worden eerst deze drie begrippen van het verdrag
uitgelegd. Daarna volgt een uiteenzetting van de regels die gelden
wanneer u geen rechtskeuze uitbrengt.
Nationaliteitsland
In sommige landen geldt de regel dat het
huwelijksvermogensrecht van dàt land van toepassing is, waarvan
de beide echtgenoten (of in sommige gevallen één van de
echtgenoten) de nationaliteit hadden (c.q. had) op het moment van
huwelijkssluiting. Al deze landen worden in dit onderdeel van de
site nationaliteitslanden genoemd.
Woonplaatsland
In andere landen daarentegen geldt de regel dat het
huwelijksvermogensrecht van dàt land van toepassing is waarin
beide echtelieden (meestal direct na de huwelijkssluiting) een
gemeenschappelijke woon- en verblijfplaats (hierna woonplaats
genoemd) hadden. Al deze landen worden in dit onderdeel van de
site woonplaatslanden genoemd.
Gemeenschappelijke nationaliteit
Wanneer u en uw echtgenoot vóór het huwelijk dezelfde
nationaliteit hebben, dan heeft u volgens het verdrag een
gemeenschappelijke nationaliteit. U heeft ook een
gemeenschappelijke nationaliteit wanneer één van u de
nationaliteit van de ander vrijwillig door het huwelijk of na de
huwelijkssluiting heeft gekregen. Dat is het geval als één van
de echtgenoten deze wenst of die nationaliteit niet afwijst
terwijl dat wel mogelijk is. Indien u beiden meer dan één
gemeenschappelijke nationaliteit heeft dan moet u voor de uitleg
van de regels van het verdrag er van uitgaan dat u niet een
gemeenschappelijke nationaliteit heeft.
U en uw echtgenoot hebben beiden zowel de Nederlandse als de
Italiaanse nationaliteit. U heeft allebei deze beide
nationaliteiten vrijwillig verkregen. Voor de uitleg van de regels
van het verdrag moet u er van uitgaan dat u geen
gemeenschappelijke nationaliteit heeft.
|
De hoofdregel
Wanneer u geen rechtskeuze heeft
uitgebracht voor uw huwelijksvermogen is het recht van het land waar u
beiden direct na de huwelijkssluiting gezamenlijk gaat wonen van
toepassing.
U heeft de Franse nationaliteit en uw echtgenoot heeft de Luxemburgse
nationaliteit. U gaat na uw huwelijk in Nederland wonen. Dan is Nederlands
recht van toepassing (let wel: Luxemburg en Frankrijk zijn verdragspartij
en passen dezelfde regels toe).
U heeft de Nederlandse nationaliteit en uw echtgenoot heeft de Turkse
nationaliteit. U gaat na uw huwelijk in Nederland wonen. Het Nederlandse
recht is van toepassing (let wel: Turkije is geen verdragspartij. De
Turkse autoriteiten passen andere regels dan de verdragsregels toe en
kunnen dus tot een andere conclusie komen. Dit is bijvoorbeeld van belang
indien u of uw echtgenoot in Turkije een huis bezit).
|
Uitzonderingen op de
hoofdregel
Op deze hoofdregel worden uitzonderingen gemaakt.
Die uitzonderingen doen zich alleen voor wanneer u en uw
echtgenoot een gemeenschappelijke nationaliteit hebben.
 | Eerste uitzondering op de hoofdregel
U en uw echtgenoot hebben allebei de gemeenschappelijke
nationaliteit van een nationaliteitsland dat bij het verdrag
is aangesloten. U vestigt zich na het huwelijk beiden in
hetzelfde land. In dat geval geldt het recht van de
gemeenschappelijke nationaliteit. |
U en uw echtgenoot hebben beiden de Nederlandse nationaliteit
en gaan na uw huwelijk in Engeland wonen. U houdt een
bankrekening aan in Nederland. Nederland is een
nationaliteitsland. Vanuit Nederlands oogpunt bezien is
Nederlands recht van toepassing op uw huwelijksvermogen (let
wel: Engeland is geen verdragspartij. De Engelse autoriteiten
passen andere regels dan de verdragsregels toe en kunnen dus tot
een andere conclusie komen. Dit is bijvoorbeeld van belang
indien u of uw echtgenoot vermogen in Engeland heeft.).
N.B. bovenstaande uitzondering op de hoofdregel geldt weer
niet als u allebei voor uw huwelijk al vijf jaar in een
woonplaatsland woonde en daar na uw huwelijk blijft wonen. Dan
geldt weer de hoofdregel, dat het recht van de woonplaats van
toepassing is.
U en uw echtgenoot hebben beiden de Nederlandse
nationaliteit. U gaat na uw huwelijk in Engeland wonen. Engeland
is een woonplaatsland. U woonde daar overigens allebei al meer
dan vijf jaar. In dat geval is vanuit Nederlands oogpunt Engels
recht op uw huwelijksvermogen van toepassing (let wel: Engeland
is geen verdragspartij. De Engelse autoriteiten passen andere
regels dan de verdragsregels toe en kunnen dus tot een andere
conclusie komen. Dit is bijvoorbeeld van belang indien u of uw
echtgenoot vermogen in Engeland heeft.).
 |
Tweede
uitzondering op de hoofdregel
U heeft de gemeenschappelijke nationaliteit van een
nationaliteitsland dat niet is aangesloten bij het verdrag. U
gaat beiden wonen in een nationaliteitsland. Of het land waar
u gaat wonen wel of geen partij is bij het verdrag doet er
niet toe. In dat geval geldt het recht van de
gemeenschappelijke nationaliteit.
U en uw echtgenoot hebben gemeenschappelijk de Duitse
nationaliteit. Duitsland is een nationaliteitsland dat niet
bij het verdrag is aangesloten. U gaat beiden na uw huwelijk
in Nederland wonen. Dan is Duits recht van toepassing (let
wel: Duitsland is geen verdragspartij. De Duitse autoriteiten
passen andere regels dan de verdragsregels toe en kunnen dus
tot een andere conclusie komen. Dit is bijvoorbeeld van belang
indien u of uw echtgenoot vermogen inDuitsland heeft.). |
 |
Derde uitzondering
op de hoofdregel
U heeft een gemeenschappelijke nationaliteit en vestigt zich
na uw huwelijk niet in hetzelfde land als uw echtgenoot. Het
doet er niet toe of u in dit geval de nationaliteit van een
nationaliteit- of van een woonplaatsland heeft. In dat geval
geldt het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit. |
U en uw echtgenoot hebben beiden de Britse nationaliteit. U
komt beiden uit Engeland. Engeland is een woonplaatsland dat
niet bij het verdrag is aangesloten. Na uw huwelijk gaat u in
Nederland wonen, maar uw echtgenoot blijft in Engeland wonen.
Dan is Engels recht van toepassing (let wel: Engeland is geen
verdragspartij. De Engelse autoriteiten passen andere regels dan
de verdragsregels toe en kunnen dus tot een andere conclusie
komen. Dit is bijvoorbeeld van belang indien u of uw echtgenoot
vermogen in Engeland heeft.).
Voor die gevallen waarin er wel sprake is van een
gemeenschappelijke nationaliteit en een gemeenschappelijke
eerste woonplaats, maar die niet vallen onder de bovengenoemde
uitzonderingsregels geldt de hoofdregel dat het recht van de
woonplaats van toepassing is.
U en uw echtgenoot hebben beiden de Duitse nationaliteit.
Duitsland is geen verdragsland, maar wel een nationaliteitsland.
Uw eerste gezamenlijke gewone verblijfplaats is in Engeland.
Engeland is een woonplaatsland maar geen verdragsland. Dan is
Engels recht van toepassing (let wel: Duitsland en Engeland zijn
geen verdragspartij. De Duitse en Engelse autoriteiten passen
andere regels dan de verdragsregels toe en kunnen dus tot een
andere conclusie komen).
 | Restcategorie
Het verdrag bevat nog één regel voor een zeldzame
restcategorie. Wanneer u en uw echtgenoot geen
gemeenschappelijke woonplaats hebben en u heeft geen
gemeenschappelijke nationaliteit dan is van toepassing het
recht van het land waarmee uw huwelijksvermogensregime het
nauwst is verbonden. |
U heeft de Nederlandse en uw echtgenoot de Luxemburgse
nationaliteit. U blijft na uw huwelijk in Nederland wonen en uw
echtgenoot in Luxemburg. Samen heeft u een woning in Nederland
en het vermogen van u beiden is in Nederland belegd. Dan is
Nederlands recht van toepassing op het huwelijksvermogen. Als er
tenminste geen andere omstandigheden zijn, waardoor het vermogen
sterker is verbonden met het Luxemburgse recht
(let wel: Luxemburg is verdragspartij en past dezelfde regels
toe).
|
Toepasselijk worden van
ander huwelijksvermogensrecht
De mogelijkheid bestaat dat op grond van het verdrag, door emigratie,
immigratie of naturalisatie, het op u van toepassing zijnde
huwelijksvermogensrecht vervangen wordt door het huwelijksvermogensrecht
van een ander land. Deze verandering van recht treedt alleen op wanneer u
op of ná 1 september 1992 bent getrouwd en u geen huwelijkse voorwaarden
en/of rechtskeuze heeft gemaakt. De vervanging van het toepasselijke recht
heeft gevolgen, bijvoorbeeld voor de aansprakelijkheid van schulden en de
manier waarop uw huwelijksvermogen wordt verdeeld na echtscheiding of
overlijden van een van beide echtgenoten. Van deze verandering krijgt u
geen bericht.
Bij de in dit hoofdstuk gebruikte voorbeelden hebben de echtgenoten dus géén
huwelijkse voorwaarden of een rechtskeuze gemaakt.
Emigratie
Wanneer u en uw echtgenoot na uw huwelijk eerst in Nederland en
daarna in het buitenland gaan wonen, kan dit gevolgen hebben voor het
huwelijksvermogen. Als u op of ná 1 september 1992 bent getrouwd en u
gaat nadien in het buitenland wonen en u blijft daar langer dan 10 jaar
wonen, dan kan uw huwelijksvermogensstelsel veranderen. Was u bijvoorbeeld
eerst in de algehele gemeenschap van goederen getrouwd, dan hoeft dat na
die 10 jaar niet meer het geval te zijn. De regels van het land waar u
bent gaan wonen zullen na die 10 jaar op u van toepassing zijn.
U bent Nederlander en uw echtgenoot ook. U bent op of ná 1 september
1992 in Nederland getrouwd en u woont beiden in Nederland. Na verloop van
tijd verhuist u samen naar Frankrijk. Als u 10 jaar in Frankrijk hebt
gewoond, wordt het Franse huwelijksvermogensrecht van toepassing op al het
in Nederland gelegen vermogen dat u na dat tijdstip verkrijgt. Van het
Nederlandse wettelijke stelsel valt u in het Franse wettelijke stelsel.
Let wel dat deze beide stelsels niet dezelfde inhoud hebben. (let wel: de
Franse autoriteiten passen dezelfde regels toe. Dit kan van belang zijn
voor uw in Frankrijk gelegen en te verwerven vermogen).
Immigratie
Wanneer u op of ná 1 september 1992 bent getrouwd, terwijl u
beiden in het buitenland woonde en u komt beiden daarna in Nederland
wonen, dan verandert na verloop van tien jaar uw huwelijksvermogensstelsel.
Tien jaar nadat u in Nederland bent komen wonen, bent u in de Nederlandse
algehele gemeenschap van goederen getrouwd.
U hebt beiden de Turkse nationaliteit, trouwt op of ná 1 september
1992 in Turkije en gaat daar wonen. Op uw huwelijksvermogen is Turks recht
van toepassing. Na een paar jaar verhuist u beiden naar Nederland. Als u
tien jaar in Nederland woont, valt uw huwelijksvermogen onder Nederlands
recht en bent u in de algehele gemeenschap van goederen getrouwd. Dit
geldt alleen voor het in Nederland gelegen vermogen dat u na dat tijdstip
verkrijgt.
Als u beiden Nederlanders bent verandert het huwelijksvermogensrecht al
eerder, nl. op het moment dat u samen in Nederland komt wonen.
U hebt beiden de Nederlandse nationaliteit. U trouwt op of ná 1
september 1992 in Frankrijk waar u en uw echtgenoot vóór het huwelijk al
6 jaar woonden. Uw huwelijksvermogensregime wordt beheerst door Frans
recht. Na het huwelijk verhuist u samen naar Nederland. Dan valt u onder
het Nederlandse huwelijksvermogensrecht op het moment dat u in Nederland
komt wonen.
Naturalisatie
De verandering in het huwelijksvermogensstelsel vindt ook
plaats indien u en uw echtgenoot na op of ná 1 september 1992 zijn gehuwd
en u beiden daarna Nederlander wordt. Ook dan bent u, zonder dat u daar
bericht van krijgt, vanaf dat moment in de Nederlandse algehele
gemeenschap van goederen getrouwd.
U hebt beiden de Marokkaanse nationaliteit, trouwt op of ná 1
september 1992 in Marokko en komt in Nederland wonen. Na 7 jaar krijgt u
beiden de Nederlandse nationaliteit. Vanaf dat moment valt uw
huwelijksvermogen onder het Nederlands wettelijk stelsel.
Het verdrag regelt ook een ander geval van automatische verandering van
het huwelijksvermogensrecht. Dit geval doet zich voor wanneer u geen
gemeenschappelijke eerste woonplaats na het huwelijk heeft, daarom het
gemeenschappelijke nationale recht van toepassing is en u zich later wel
samen in een ander land vestigt. Het recht van het land waar u gezamenlijk
bent gaan wonen is dan van toepassing.
U en uw echtgenoot hebben, als u trouwt, beiden de Deense
nationaliteit. Na uw huwelijk (dat na op of ná 1 september 1992 heeft
plaatsgevonden) reist u zelf een paar jaar over de hele wereld. U vestigt
zich nergens terwijl uw echtgenoot in Denemarken blijft wonen. Op uw
huwelijksvermogen is in die periode Deens recht van toepassing. Na zes
jaar vestigt u zich beiden in Nederland. Vanaf dat moment is vanuit
Nederlands standpunt Nederlands recht van toepassing en bent u in de
algehele gemeenschap van goederen getrouwd (let wel: Denemarken is geen
verdragspartij. De Deense autoriteiten passen andere regels dan de
verdragsregels toe en kunnen dus tot een andere conclusie komen).
Ongewilde verandering
voorkomen
In alle bovengenoemde gevallen kan, indien u ten aanzien van uw
huwelijksvermogen niets hebt geregeld, het huwelijksvermogensstelsel van
de ene op de andere dag veranderen, terwijl u dat misschien wel helemaal
niet wilt. Hoe kunt u dat nu voorkomen? Door een rechtskeuze uit te
brengen!
Recht in eigen hand
Rechtskeuze: waarom?
Maakt u een rechtskeuze, dan bent u er daardoor zeker van welk recht op uw
huwelijksvermogensregime van toepassing is. U sluit daarmee ook de
mogelijkheid uit van een ongewenste verandering van het toepasselijke
recht als gevolg van emigratie, immigratie of naturalisatie. Een
rechtskeuze is vooral voor een huwelijk met een internationaal karakter
sterk aan te bevelen. Toch is een waarschuwing op zijn plaats. Een in
Nederland gemaakte rechtskeuze heeft niet altijd het gewenste effect in de
landen die niet bij het verdrag zijn aangesloten.
Het is daarom van groot belang dat u zich door een (kandidaat-)notaris
laat adviseren. De (kandidaat-)notaris kan voor u nagaan of het voor u
verstandig is een rechtskeuze uit te brengen en zo ja, voor welk recht.
Let wel:
U bent getrouwd vóór 1 september 1992; U kunt een rechtskeuze
uitbrengen.
U bent getrouwd op of ná 1 september 1992; u kunt een rechtskeuze
uitbrengen.
Waaruit kiezen?
Het verdrag maakt het niet mogelijk om voor elk willekeurig
recht te kiezen. U mag alleen een keuze uitbrengen voor het recht van een
land waarmee u een band heeft.
Het verdrag bepaalt dat u een keuze mag uitbrengen voor:
 | het recht van het land waarvan u (of uw echtgenoot) de nationaliteit
heeft; of
 | het recht van het land waar u (of uw echtgenoot) woont; of
 | het recht van het land waar u (of uw echtgenoot) direct na de
huwelijkssluiting gaat wonen. |
| |
Het gekozen recht is van toepassing op uw gehele huwelijksvermogen (uw
bezittingen en uw schulden). Indien u een huis in eigendom heeft is het
mogelijk een aparte regeling daarvoor te maken. Voor deze woning kunt u
het recht aanwijzen van het land waar het huis ligt.
Hoe moet dat?
De vorm waarin de rechtskeuze moet worden uitgebracht is
afhankelijk van de plaats waar u de rechtskeuze uitbrengt of van het door
u gekozen recht.
In Nederland kunt u altijd de rechtskeuze uitbrengen in een notariële
akte. Uw rechtskeuze kan onderdeel zijn van huwelijkse voorwaarden. De
rechtskeuze en huwelijkse voorwaarden kunnen dan in dezelfde akte worden
opgenomen. U kunt ook een rechtskeuze zonder huwelijkse voorwaarden maken.
Dan wordt alleen de rechtskeuze in een notariële akte opgenomen. Kiest u
voor buitenlands (= niet-Nederlands) recht of brengt u de rechtskeuze in
het buitenland uit, dan kan de vorm van de rechtskeuze door het door u
gekozen recht worden voorgeschreven. De rechtskeuze moet dan in ieder
geval op schrift staan. Het stuk moet van een datum worden voorzien en
door u en uw echtgenoot worden ondertekend.
U kiest in Nederland voor Nederlands recht. In dit geval is het gekozen
recht het Nederlandse recht en de plaats waar u de keuze uitbrengt
Nederland. De voorschriften die in acht moeten worden genomen zijn die van
het Nederlandse recht. Het Nederlandse recht schrijft hier een notariële
akte voor.
U gaat als Nederlandse huwen met een Engelsman. U kiest in Nederland
voor Engels recht. In dit geval zijn er twee mogelijkheden voor de vorm
waarin de rechtskeuze moet worden neergelegd. U kunt kiezen voor de vorm
van het Nederlandse recht (plaats van keuze). In dat geval heeft u een
notariële akte nodig. U kunt ook kiezen voor de vorm van het Engelse
recht (het door u gekozen recht). Het Engelse recht kent geen wettelijke
vormvoorschrift in een geval als deze. Dat betekent dat u de keuze kunt
neerleggen in een schriftelijk stuk, voorzien van een datum en ondertekend
door u en uw echtgenoot. Echter, voor de registratie in het
huwelijksgoederenregister in Nederland is een notariële akte nodig.
Registratie
Algemeen
Andere personen dan uzelf en uw echtgenoot, bijvoorbeeld
schuldeisers, zijn niet zonder meer gehouden aan het tussen u en uw
echtgenoot geldende huwelijksvermogensrecht. U kunt er door middel van
registratie voor zorgen dat de regels van uw huwelijksvermogensstelsel wel
tegenover bijvoorbeeld schuldeisers in Nederland werking hebben.
Registratie van uw verklaring
U kunt ook onder buitenlands recht vallen, zonder dat u
daarvoor hebt gekozen. U kunt dan laten registreren dat u niet onder
Nederlands recht valt. Voor het registreren van het gegeven dat u niet
onder het Nederlandse huwelijksvermogensrecht valt is een akte van een
Nederlandse notaris nodig. Uw notaris zorgt voor inschrijving van deze
akte.
U en uw echtgenoot hebben de Marokkaanse nationaliteit. U komt samen in
Nederland wonen. Op uw huwelijksgoederenregime is Marokkaans
huwelijksvermogensrecht van toepassing. U kunt in een notariële akte van
een Nederlandse notaris laten opnemen dat u niet onder Nederlands recht
valt. Deze akte kan worden geregistreerd.
Let op: de registratie van uw verklaring houdt de automatische
verandering van huwelijksvermogensrecht niet tegen. Een rechtskeuze doet
dat wel.
Laat u na om in het Nederlands huwelijksgoederenregister te registreren
dat u niet onder Nederlands recht valt, dan mag een ander, bijvoorbeeld
een schuldeiser, aannemen dat u gehuwd bent volgens het Nederlands
wettelijk stelsel, tenzij hij het tegendeel wist of kon weten.
Het is dan vereist dat de schuldeiser in Nederland woont en dat u en uw
echtgenoot tijdens het aangaan van de schuld in Nederland woonden.
Pensioenverevening
Het toepasselijke huwelijksvermogensrecht kan van belang zijn voor de
vraag of in geval van scheiding recht bestaat op pensioenverevening. Het
is verstandig dit aspect te betrekken bij bijvoorbeeld de vraag of er een
rechtskeuze wordt uitgebracht en zo ja, voor welk recht. Het is van belang
uw (kandidaat-)notaris in kennis te stellen van het feit dat er opgebouwde
pensioenrechten bestaan.
Tot slot
Het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 behandelt een belangrijk
onderwerp. Het betreft immers het huwelijksvermogensrecht tussen
echtgenoten en de gevolgen daarvan voor anderen. De regels van het nieuwe
verdrag zijn op u van toepassing indien u op of ná 1 september 1992
getrouwd bent. Het verdrag is niet van toepassing op geregistreerde
partners. Het is nog de vraag of het verdrag van toepassing is op
echtgenoten van gelijk geslacht. De regels van het verdrag betreffende
rechtskeuze zijn, op een kleine uitzondering na, ook op u van toepassing
als u vóór 1 september 1992 bent getrouwd.
Het maken van een rechtskeuze kan veel problemen voorkomen in geval van
een huwelijk met internationale aspecten. U kunt ook te maken krijgen met
internationale aspecten binnen het erfrecht.
Wilt u nadere informatie over dit onderwerp hebben, dan doet u er
verstandig aan advies te vragen aan een (kandidaat-)notaris.

Top
|
|
Verschillen
tussen huwelijk, geregistreerd partnerschap en samenwonen
|
Vaak zal in het gesprek met de (kandidaat-)notaris de vraag rijzen
welke verschillen bestaan tussen huwelijk, geregistreerd
partnerschap en ongehuwd samenleven met alleen een (notarieel)
samenlevingscontract. De belangrijkste verschillen zijn: |
| |
| a |
Formaliteiten
Zowel huwelijk als geregistreerd partnerschap komen tot stand bij de
ambtenaar van de burgerlijke stand. Ook de beëindiging van de
relatie door de echtgenoten of partners is gebonden aan
formaliteiten. Aan ongehuwd samenleven stelt de wet geen eisen. Een
samenlevingscontract kan, maar hoeft niet te worden gemaakt. |
| b |
Levensonderhoud
Zowel gehuwden als geregistreerde partners zijn wettelijk verplicht
elkaar ‘het nodige’ te verschaffen. Daarvan kan niet worden
afgeweken. Na beëindiging van de relatie kan een alimentatieplicht
ontstaan. ‘Gewoon’ ongehuwd samenlevenden hebben jegens elkaar
geen onderhoudsplicht. Bij de vaststelling van het recht op en de
hoogte van sommige uitkeringen, wordt het inkomen van de andere
samenlever wel in aanmerking genomen. |
| c |
Gemeenschap van goederen
Door het huwelijk of de registratie van het partnerschap
ontstaat tussen de echtgenoten of partners van rechtswege de
algehele gemeenschap van goederen. Van deze gemeenschap van goederen
kan worden afgeweken door het maken van huwelijkse voorwaarden of
partnerschapsvoorwaarden.
Indien men ongehuwd gaat samenleven, ontstaat geen gemeenschap van
goederen. Wel kunnen goederen gezamenlijk in eigendom worden
verkregen.
|
| d |
Huur
Indien een gehuwd of een geregistreerd persoon woonruimte huurt voor
gezamenlijke bewoning, is diens echtgenoot of geregistreerde partner
automatisch medehuurder. Een ‘gewoon’ ongehuwd samenlevende
partner is dat niet. Wel kunnen zij gezamenlijk een verzoek daartoe
aan de verhuurder doen. Als de samenwoning twee jaar heeft geduurd,
moet de verhuurder hem of haar in beginsel als medehuurder erkennen.
Vóór die instemming heeft de partner van de huurder geen rechten
met betrekking tot de woning. |
| e |
Pensioen
Deelnemers aan een (aanvullende) pensioenregeling bouwen
ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen (weduwen- en
weduwnaarspensioen) op. Daarvoor worden bij het pensioenfonds
rechten opgebouwd. Voor het geval van echtscheiding of beëindiging
van geregistreerd partnerschap heeft de wetgever geregeld wat met
die rechten dient te geschieden. Van toepassing is de ‘Wet
verevening pensioenrechten bij scheiding’. Het tijdens het bestaan
van het huwelijk of het geregistreerd partnerschap opgebouwde
ouderdomspensioen wordt ¬ tussen de gewezen echtgenoten/partners
verdeeld. Het nabestaandenpensioen komt, voor zover opgebouwd tot de
scheidingsdatum, alleen toe aan de gewezen echtgenoot/partner.
De meeste pensioenfondsen kennen voor ongehuwd samen¬ levenden een
partnerpensioen. Dat is te vergelijken met het nabestaandenpensioen.
Er bestaat geen regeling voor het ouderdomspensioen. Om voor het
partnerpensioen in aanmerking te komen dient aan enige vereisten te
worden voldaan. Die verschillen van fonds tot fonds. Meestal wordt
een notarieel samenlevingscontract verlangd. De wet pensioenrechten
is niet van toepassing op “gewoon” ongehuwd samenlevenden. |
| f |
Erfrecht
In geval van huwelijk en geregistreerd partnerschap erft de
langstlevende echtgenoot of partner volgens de wet samen met de
kinderen. In het huidige erfrecht erven de kinderen slechts een
vordering op de langstlevende en behoudt de langstlevende de hele
nalatenschap. Volgens de wet erven ‘gewoon’ ongehuwd
samenlevenden niet van elkaar. ‘Gewoon’ ongehuwd samenlevenden
moeten daarom een testament maken. |
| g |
Successierecht
Deze belasting wordt geheven over hetgeen uit iemands nalatenschap
wordt verkregen. Een langstlevende echtgenoot of langstlevende
geregistreerde partner geniet een vrijstelling van 532.667 euro
(2008), ongeacht hoe lang het huwelijk of de registratie duurde. Op
die vrijstelling wordt echter in mindering gebracht de helft van de
waarde van pensioenaanspraken [en dergelijke]. De vrijstelling
bedraagt echter minimaal 149.622 euro (2008). Over het hetgeen meer
dan het vrijgestelde bedrag wordt verkregen, wordt 5-27%
successierecht betaald, afhankelijk van de waarde van de
verkrijging.
Voor ‘gewoon’ ongehuwd samenwonenden geldt een minder
ruimhartige regeling. Indien de gemeenschappelijke huishouding
minder dan twee jaar heeft geduurd, bestaat er in beginsel geen
vrijstelling. Na het verstrijken van de periode van twee jaar loopt
de vrijstelling in drie jaar geleidelijk op naar hetzelfde bedrag
als geldt voor gehuwden. Zo lang de termijn van vijf jaar niet is
verstreken wordt belasting geheven naar een tarief van 41-68%. Pas
na vijf jaar valt men in het gehuwdentarief [5-27%].
Samenwoners die langer dan 6 maanden: |
| |
-
-
-
|
samenwonen;
ingeschreven staan op hetzelfde woonadres in de gemeentelijke
basisadministratie;
en de zorgverplichting hebben vastgelegd in een notarieel
samenlevingscontract; |
| |
hebben direct een vrijstelling van 532.667 euro (2008). Dat is
anders als de samenwoners bloedverwanten in rechte lijn zijn
(bijvoorbeeld ouders of kinderen) of als de samenwoners zich voor de
heffing van de inkomstenbelasting hadden kunnen laten kwalificeren
als partner, maar dit hebben nagelaten gedurende vijf jaar
voorafgaande aan het moment van overlijden van een van de
samenwoners.
|
| h |
Kinderen
Van belang is nu of tussen een ouder en een kind 'familierechtelijke
betrekkingen' bestaan.
Dat heeft gevolgen voor de geslachtsnaam, het gezag (ouderlijk
gezag/voogdij), het omgangsrecht en het erfrecht.
Huwelijk man/vrouw
Wanneer sprake is van een huwelijk tussen een man en een
vrouw bestaan tussen een uit een huwelijk geboren kind en zijn beide
ouders automatisch familierechtelijke betrekkingen.
Huwelijk van twee vrouwen
Als in een huwelijk van twee vrouwen een kind wordt geboren, is de
vrouw die het kind baart de moeder. Maar de vrouw met wie zij is
getrouwd, is niet volgens de wet automatisch de andere ouder.
Huwelijk van twee mannen
Hetzelfde geldt als twee met elkaar getrouwde mannen samen een kind
verzorgen en opvoeden en één van hen de vader is van het kind.
Onderhoudsplicht jegens kinderen
Wel is het zo dat de niet-ouder in een huwelijk van twee
vrouwen of twee mannen als stiefouder een onderhoudsplicht jegens de
kinderen in het gezin heeft. Deze plicht duurt in elk geval zo lang
het huwelijk duurt.
Andere rechten en plichten kunnen alleen ontstaan door adoptie of
door gezamenlijk gezag.
Adoptie
De niet-ouder kan het kind adopteren. Hierdoor wordt hij of zij in
juridisch opzicht de ouder van het kind. Alle juridische
familiebanden met de oorspronkelijke ouder (als die er is) worden
dan doorgesneden. Dit is een ingrijpende stap en er gelden dan ook
strenge voorwaarden.
Gezamenlijk gezag
De tweede mogelijkheid is minder ingrijpend en ligt praktisch
soms meer voor de hand. Als de niet-ouder een nauwe persoonlijke
band heeft met het kind, kunnen de ouder en de niet-ouder aan de
rechter vragen om aan hen het gezamenlijke gezag toe te kennen. De
niet-ouder heeft in dat geval dezelfde gezagsrechten en plichten als
de ouder. Hij of zij is dan samen met de ouder in alle opzichten
verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding van het kind. De
ouder en zijn of haar echtgenoot kunnen de rechter ook vragen om de
achternaam van het kind te wijzigen in die van de ouder of de
echtgenoot.
Over een kind dat tijdens een geregistreerd partnerschap of een
huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht wordt geboren,
hebben de ouder en de echtgenoot/partner automatisch het gezamenlijk
gezag, als er geen andere ouder is. Zijn de beide geregistreerde
partners ouder, dan hebben zij altijd het gezamenlijk gezag. Zijn de
ongehuwd samenwonenden de vader en moeder van het kind, dan kunnen
zij het gezamenlijk gezag verkrijgen door een aantekening op hun
verzoek in het gezagsregister bij de rechtbank.
Geregistreerde partners en ongehuwd samenwonenden
Bij ongehuwd samenleven ontstaan door de geboorte alleen
familie¬rechtelijke betrekkingen tussen de moeder en het kind.
Familierechtelijke betrekkingen tot de vader ontstaan eerst doordat
deze het kind erkent. Deze erkenning kan reeds tijdens de
zwangerschap geschieden. Erkenning is mogelijk bij de ambtenaar van
de burgerlijke stand en bij de notaris.
Voor de erkenning is in beginsel de toestemming van de moeder nodig.
rechtbank kan vervangende toestemming geven indien de man de
verwekker is van het kind en de belangen van moeder en kind daardoor
niet worden geschaad.
|
Checklist
samenlevingscontract
De (kandidaat-)notaris is de deskundige bij uitstek op het gebied van
samenlevingscontracten. Een notariële akte is weliswaar niet dwingend
voorgeschreven maar wel noodzakelijk voor het treffen van bepaalde
voorzieningen op erfrechtelijk gebied.
Ook voor de toekenning van een partnerpensioen is meestal een notarieel
samenlevingscontract vereist. Alvorens de (kandidaat-)notaris een ontwerp
van het contract maakt, zal hij onder meer de volgende vragen stellen:
 | In hoeverre willen partijen hun inkomsten delen?
 | In welke verhouding nemen partijen de kosten van de huishouding voor
hun rekening?
 | Wat behoort volgens partijen tot de kosten van de huishouding?
 | Dient de gezamenlijk bewoonde woning ook gemeenschappelijk eigendom
te zijn?
 | Wat is het gevolg als de ene partner meer aan de financiering van de
woning bijdraagt dan de ander?
 | Hoe wordt de positie versterkt van degene die samenwoont met iemand
die enig eigenaar is van de woning?
 | Dienen voor gezamenlijke rekening aangeschafte inboedelgoederen en
[andere] huishoudelijke spullen gemeenschappelijk eigendom te zijn?
 | Hoe moet worden aangetoond dat bepaalde zaken niet gemeenschappelijk
zijn?
 | Zullen partijen gezamenlijk als huurder van de gemeenschappelijke
woning optreden?
 | Melden partijen elkaar [zo mogelijk] aan als begunstigde voor het
partnerpensioen?
 | Op welke wijze zijn overlijdensrisicoverzekeringen formeel geregeld?
Is bij de zogenaamde spaarhypotheek een splitsing aangebracht tussen
de spaarpremie en de risicopremie?
 | Wat zijn de gevolgen bij het uit elkaar gaan? Wie blijft in de
woning? Hoe worden de gemeenschappelijke goederen verdeeld? Dient de
ene partner een bijdrage te leveren aan de verhuis- en
herinrichtingskosten van de andere?
 | Zou in bepaalde omstandigheden gedurende een bepaalde tijd een
alimentatieplicht moeten bestaan?
 | Is het wellicht gewenst dat de partner [niet-ouder] na beëindiging
van de relatie nog enige tijd alimentatie betaalt voor het kind van de
ex-partner?
 | Wat moet er gebeuren in geval van overlijden? Dient een testament te
worden gemaakt ten gunste van de langstlevende partner? Moet
onderscheid gemaakt worden tussen de situatie waarin afstammelingen
aanwezig zijn en het geval waarin dat niet zo is?
 | Moeten bij overlijden bepaalde goederen niet naar de partner, maar
naar de familie van de overledene gaan?
 | Op welke wijze dienen geschillen tussen partijen te worden beslist? |
| | | | | | | | | | | | | | | |
Een aantal van de in deze vragen aan de orde gestelde kwesties zal
hierna worden toegelicht.
|
Samen
zelfstandig of samen delen?
Door te gaan samenleven ontstaat op zichzelf geen verplichting om
bij te dragen aan de kosten van de huishouding. Ieder kan zijn
eigen kosten betalen. In het samenlevingscontract kan dit anders
worden geregeld. Daarin kan ook worden afgesproken dat hetgeen van
de inkomens resteert tussen de partners bij helfte wordt verdeeld.
Kosten
van de huishouding
Meestal wordt overeengekomen dat partijen de kosten van de
huishouding voor hun rekening nemen naar evenredigheid van hun
netto-inkomsten (uit arbeid).
Het verdient vaak aanbeveling te omschrijven wat zoal onder de
kosten van de huishouding wordt begrepen. Rente (van de woning
hypotheek) en huur vallen daar zeker onder. Maar ook autokosten,
onroerendezaakbelasting en kosten van kinderopvang kunnen
daaronder worden begrepen. Het is vaak ook verstandig om te
omschrijven wat onder inkomen wordt verstaan.
Bank- en girorekeningen
Het aanhouden van
een zogenaamde ‘en/of-rekening’ is praktisch. Ten laste
daarvan kunnen de kosten van de huishouding worden betaald. Het
tegoed op een en/of-rekening behoort in beginsel niet aan ieder
van de partners voor de helft toe.
Met ‘en/of’ wordt slechts aangeduid dat de partners zowel
gezamenlijk als ieder afzonderlijk over het tegoed kunnen
beschikken. Het tegoed komt toe aan degene die het op de rekening
heeft gestort of heeft laten storten. Heeft men afgesproken dat
hetgeen van de inkomens wordt gespaard bij helfte wordt verdeeld,
dan behoort het saldo van de inkomstenrekening aan ieder voor de
helft.
Inboedel en dergelijke
Bij het einde van
de samenwoning en met het oog op schuldeisers, is het van belang
om vast te stellen wat van wie is. Bij een koelkast, magnetron of
CD-speler is dat soms moeilijk. In beginsel is de eigenaar degene
aan wie het goed is geleverd. Gewoonlijk is dit degene die het
goed heeft betaald. Als niet duidelijk is wie eigenaar is, lijkt
het redelijk om ieder voor de helft als eigenaar te beschouwen.
Een en ander maakt duidelijk dat enige administratie gewenst is,
als men bijvoorbeeld bij het uit elkaar gaan geen problemen wenst.
Rekeningen en bankafschriften kunnen dan later goede diensten
bewijzen.
Aan het samenlevingscontract kunnen lijsten worden gehecht waarop
gespecificeerd is vermeld wat door ieder van beiden of gezamenlijk
is aangebracht. Deze lijsten bewijzen in beginsel wat tot ieders
vermogen behoort. Het is verstandig om daarnaast af te spreken wie
eigenaar is van goederen waarvan dat niet kan worden vastgesteld.
Verblijvingsbeding
Onder het kopje 'inboedel en dergelijke' werd onder f en g
al het een en ander opgemerkt over erfrecht en successierecht. Het
maken van een testament is aan te raden, omdat ongehuwde
samenlevers niet van elkaar erven. Daarnaast kan in het
samenlevingscontract een afspraak worden gemaakt over de
gezamenlijke bezittingen, bijvoorbeeld over de inboedel die
gezamenlijk is aangeschaft of een woning die op beider naam staat.
Afgesproken kan worden dat deze gezamenlijke bezittingen bij
overlijden van één van de partners zonder vergoeding aan de
langstlevende partner toekomen. Deze afspraak wordt een
“verblijvingsbeding” genoemd. Aan deze afspraak kan fiscaal
voordeel verbonden zijn voor samenlevers die nog niet in
aanmerking komen voor de partnervrijstelling voor het
successierecht (zie g). Voor deze samenlevers is een verkrijging
op grond van een verblijvingsbeding voor het successierecht
onbelast.
Let op: Deze afspraak kan dus niet worden gemaakt voor zaken die
eigendom zijn van één van de partners. Daarvoor blijft een
regeling in het testament nodig.
|
|
Woning
Huurwoning
Het enkele feit dat men met iemand
gaat samenwonen, levert geen woonrecht op.
In het samenlevingscontract kunnen over het samenwonen afspraken
worden gemaakt. Een verhuurder is daaraan uiteraard niet gebonden.
Bij de verschillen
tussen de afzonderlijke samenlevingsvormen werd onder d
reeds gewezen op de mogelijkheid dat de partner medehuurder wordt
van de woning die de ander huurt. De woning moet dan beiden tot
hoofdverblijf dienen. Als een woning wordt gehuurd, dan zal het de
voorkeur verdienen dat de partners vanaf de dag dat ze gaan
samenwonen samen als huurders optreden.
Eigen
woning
A ls wordt
samengewoond in een huis dat in eigendom toebehoort aan één van
beiden, komt de niet-eigenaar in een afhankelijke positie. Eindigt
de relatie dan zal hij het pand moeten verlaten. In het
samenlevingscontract kan in dat geval voor een bepaalde periode
een voortgezet gebruiksrecht worden toegekend. Ook worden vaak
afspraken gemaakt over de verhuis- en inrichtingskosten.
Overdracht van de helft van de
woning aan de ander stuit meestal af op de kosten. Zo is onder
andere zes procent overdrachtsbelasting verschuldigd over de
waarde van hetgeen wordt overgedragen.
Om bedoelde afhankelijkheid te voorkomen wordt in een
samenlevingscontract vaak afgesproken dat in geval van
(toekomstige) aankoop van een huis, dit op naam van beiden zal
worden gezet.
Het verdient dan wel aanbeveling goed vast te leggen op welke
wijze de financiering geschiedt en wat de gevolgen daarvan zijn
bij scheiding.
(Spaar)hypotheek
I ndien
het huis wordt gefinancierd met behulp van een hypothecaire
lening, behoort de verschuldigde rente tot de kosten van de
huishouding. Aflossingen komen voor rekening van de eigenaren in
verhouding tot ieders deel in de eigendom. Betaalt de een te veel
aan aflossing dan ontstaat een vergoedingsrecht jegens de ander.
Vaak behoeft op een hypothecaire lening of een deel daarvan niet
periodiek te worden afgelost. Dan is doorgaans een spaarregeling
getroffen. In plaats van aflossingen betaalt men spaarpremies aan
een verzekeringsmaatschappij.
Gedurende de looptijd van de lening (bijvoorbeeld dertig jaar)
wordt dan een bedrag gespaard dat samen met de (gefixeerde)
beleggingswinst gelijk is aan het totale geleende bedrag. Bij een
spaarhypotheek wordt het risico van voortijdig overlijden gedekt
door een overlijdensrisicoverzekering.
Overlijdensrisicoverzekering
Een uitkering op grond van een
overlijdensrisicoverzekering wordt met successierecht belast
indien voor de verkrijging ‘iets’ aan het vermogen van de
overledene is onttrokken, zoals premies.
Om te voorkomen dat successierecht betaald moet worden dient erop
te worden gelet:
| a) |
dat de premies verschuldigd zijn door een ander dan de
verzekerde (de overledene), en |
| b) |
dat het samenlevingscontract zodanig is ingericht dat
premies niet indirect toch geheel of ten dele voor
rekening komen van de verzekerde (bijv. via een
verrekenbeding of de kosten van de huishouding).
Het voorgaande houdt tevens in dat het bij de hypotheek’
nodig is de premie te splitsen in een spaarpremie en een
risicopremie. De notaris kan u ook over dit moeilijke
onderwerp nadere informatie verschaffen.
|
|
|
Scheiding
Partijen kunnen van mening verschillen over de vraag of de
relatie, en daarmede het contract, geëindigd is. Vandaar dat het
zinvol kan zijn in het samenlevingscontract te regelen wanneer de
relatie als beëindigd geldt. Hetgeen partijen gemeenschappelijk
in eigendom hebben, zullen zij dan meestal willen verdelen.
Daarover zal overeenstemming moeten worden bereikt.
In het samenlevingscontract kan een aantal zaken bij voorbaat
worden geregeld. Zo kan worden vastgelegd wie in geval van
scheiding in het huis mag blijven wonen. Bepaald kan worden dat
degene die de bewoning voortzet aan de ander een bedrag zal
betalen voor verhuiskosten en kosten van herinrichting. Ook kan
worden overeengekomen dat de een gedurende een bepaalde periode
aan de ander een bedrag voor zijn levensonderhoud betaalt.
Indien de woning gemeenschappelijk eigendom is zal bij toedeling
aan de een, ook over de lening een nadere regeling moeten worden
getroffen. Medewerking van de bank is daarvoor nodig. Voor
verdeling van een huis is een notariële akte vereist.
Geschillenregeling
Een contract kan niet alles regelen. Vandaar dat in een
samenlevingscontract vaak wordt geregeld op welke wijze geschillen
zullen worden opgelost.
Einde
overeenkomst
De
samenlevingsovereenkomst eindigt bij het einde van de samenwoning en
bij overlijden.
Maar ook als de samenwoners gaan trouwen of een geregistreerd
partnerschap aangaan betekent dat het einde van de overeenkomst.
Wellicht dat in dat geval een overeenkomst van huwelijkse
voorwaarden of van partnerschapsvoorwaarden gewenst is.
|
|
Kosten
Over het notarieel honorarium is omzetbelasting (btw)
verschuldigd.
Het samenlevingscontract wordt niet gepubliceerd, zodat in dat
verband geen kosten ontstaan.
|

Top
|
|
Minderjarigen
Voor ouders met minderjarige kinderen (kinderen die jonger zijn dan 18 jaar) is
het belangrijk om na te gaan wie er voor de kinderen kan zorgen als zij er zelf
niet meer zijn.
Gezamenlijk gezag
door gehuwden en geregistreerde partners
Als de ouders met elkaar getrouwd zijnof met elkaar een
geregistreerd partnerschap zijn aangegaan oefenen zij gezamenlijk
het ouderlijk gezag uit. Overlijdt één van hen, dan blijft de
ander met het ouderlijk gezag belast. Overlijdt ook deze ouder dan
benoemt de kantonrechter een voogd over de kinderen, tenzij de
ouder in een testament al een voogd heeft benoemd. Wanneer beide
ouders tegelijk overlijden geldt hetzelfde.
Als tijdens een huwelijk of een geregistreerd partnerschap een
kind wordt geboren, hebben de ouder en diens echtgenoot of
geregistreerde partner die niet de ouder is, ook het gezamenlijk
gezag over het kind. Dit geldt alleen niet als het kind al een
andere ouder heeft. Wordt bijvoorbeeld tijdens een huwelijk dat
gesloten is tussen twee vrouwen een kind geboren, dan hebben zij
gezamenlijk het gezag, tenzij de vader het kind al tijdens de
zwangerschap heeft erkend. In dat geval oefent alleen de moeder
het gezag uit. |
Ongehuwde moeder
Een ongehuwde moeder die meerderjarig is als haar kind wordt geboren
heeft alleen het ouderlijk gezag over haar kind. Een minderjarige moeder
die ongehuwd is en ook niet gehuwd is geweest en al evenmin een
geregistreerd partnerschap is aangegaan (door een huwelijk of het aangaan
van een geregistreerd partnerschap eindigt de minderjarigheid) kan het
gezag niet uitoefenen. Zij krijgt het gezag automatisch op het tijdstip
dat zij meerderjarig wordt, tenzij op dat tijdstip een ander met het gezag
is belast. In dit laatste geval kan de moeder aan de kantonrechter
verzoeken om haar met het gezag te belasten. Een moeder die zestien of
zeventien jaar is, kan de kinderrechter vragen haar meerderjarig te
verklaren zodat zij toch het ouderlijk gezag kan krijgen.
Gezamenlijk gezag door
ongehuwde ouders
Als ouders die niet met elkaar zijn gehuwd of gehuwd zijn geweest
gezamenlijk het ouderlijk gezag willen krijgen moeten zij samen een
verzoek tot aantekening hiervan in het gezagsregister indienen bij de
griffie van het kantongerecht. Deze aantekening wordt alleen geweigerd in
de volgende gevallen:
een of beide ouders zijn niet bevoegd tot het gezag;
 | geen van de ouders oefent het gezag uit
 | een van de ouders is ontheven of ontzet van het gezag en de andere
ouder oefent het gezag uit;
 | er is een voogd die met het gezag is belast;
 | een ouder oefent het gezag al samen met een ander dan de andere
ouder uit; |
| | |
|
Gezamenlijk gezag
door ouder en niet-ouder
Het gezag kan ook worden uitgeoefend door een ouder samen met een
niet-ouder. Als een kind tijdens het huwelijk of het geregistreerd
partnerschap wordt geboren, berust het gezag alleen bij de ouder
indien het kind bij de geboorte ook een andere ouder heeft. Indien
het ouderlijk gezag bij één ouder berust dan kan deze samen met
een niet-ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het
kind staat (dat kan ook de echtgenoot of geregistreerde partner
zijn) een verzoek indienen bij de rechtbank om samen het ouderlijk
gezag te verkrijgen. Gezamenlijk gezag is ook mogelijk tussen een
ouder en een andere persoon van hetzelfde geslacht.
Het verzoek tot gezamenlijk gezag met een niet-ouder wordt
afgewezen als de belangen van het kind door het gezamenlijk gezag
naar verwachting zouden worden verwaarloosd.
Indien het kind tot beide ouders in familierechtelijke betrekking
staat en slechts een van de ouders met het gezag is belast, wordt
het gezamenlijk verzoek van de ouder en de niet-ouder tot
verkrijging van het gezamenlijk gezag alleen toegewezen als aan de
volgende aanvullende voorwaarden is voldaan:
 | de ouder en de niet-ouder hebben op de dag van het verzoek
gedurende tenminste een aaneengesloten periode van één jaar
voorafgaand aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind
gehad;
 | de ouder die het verzoek doet, is op de dag van het verzoek
gedurende tenminste een aaneengesloten periode van drie jaar
alleen met het ouderlijk gezag belast geweest.
|
|
De belangen van de andere ouder worden door de rechtbank bij
het geven van een beslissing in aanmerking genomen. Van de
beslissing tot gezamenlijk gezag wordt aantekening gedaan in het
gezagsregister.
Samen met het verzoek tot gezamenlijk gezag kan aan de rechtbank
worden verzocht om de geslachtsnaam van het kind te wijzigen in de
geslachtsnaam van de met het gezag belaste ouder of de
geslachtsnaam van de niet-ouder. Als het kind twaalf jaar of ouder
is moet het met de naamswijziging instemmen.
Heeft de niet-ouder samen met de ouder het gezag, dan is ook hij
verplicht tot het verstrekken van levensonderhoud aan het kind. Na
beëindiging van het gezamenlijk gezag door de rechter of door het
overlijden van de ouder blijft de onderhoudsplicht bestaan voor
dezelfde tijd als het gezamenlijk gezag heeft geduurd. De rechter
kan deze termijn verlengen. Eindigt het gezamenlijk gezag doordat
het kind meerderjarig wordt (18 jaar) dan duurt de
onderhoudsplicht tot het kind 21 jaar wordt.
|
Gezamenlijk gezag na
echtscheiding en beëindiging van het geregistreerd partnerschap
Na echtscheiding (en na scheiding van tafel en bed) blijft het
gezamenlijk gezag van de ouders - indien zij dit op het tijdstip van de
echtscheiding hebben - voortbestaan. De ouders kunnen echter, zowel tezamen als
ieder afzonderlijk, aan de rechtbank verzoeken om het gezag over een kind (of
meer kinderen) aan één van hen toe te kennen. De rechter wijst het verzoek
alleen toe als dit in het belang van het kind is.
Indien de ouders met elkaar een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan,
blijft het gezamenlijk gezag van de ouders na de beëindiging bestaan. Oefent
een ouder tezamen met een niet-ouder met wie hij is gehuwd of een geregistreerd
partnerschap is aangegaan van rechtswege het gezag uit over een kind dat tijdens
het huwelijk of het geregistreerd partnerschap is geboren, dan blijft het gezag
ook bestaan na de ontbinding van het huwelijk of de beëindiging van het
geregistreerd partnerschap. In deze laatste gevallen kan het gezamenlijk gezag
op verzoek van beiden of van een van hen door de rechtbank op grond van
gewijzigde omstandigheden worden beëindigd.
Einde van het gezamenlijk
gezag
Het gezamenlijk gezag eindigt:
 | als het kind meerderjarig wordt;
 | bij overlijden van de ouder of de niet-ouder. Indien de niet-ouder
overlijdt oefent de ouder daarna alleen het gezag uit. Overlijdt de
ouder, dan oefent de niet-ouder van rechtswege de voogdij (alleen)
uit;
 | indien een ouder of de niet-ouder onbevoegd is geworden tot het
gezag, bijvoorbeeld door ondercuratelestelling. De andere ouder of de
niet-ouder oefent gedurende de onbevoegdheid alleen het gezag uit;
 | door uitspraak van de rechter op verzoek van de ouder en/of de
niet-ouder. De grond van dit verzoek moet zijn dat er sprake is van
gewijzigde omstandigheden of dat bij de toekenning van het gezag van
onjuiste gegevens is uitgegaan;
 | door ontheffing of ontzetting van de ouder of de niet-ouder uit het
gezag. |
| | | |
Indien in het laatste geval de ouder van het gezag wordt ontheven of
daaruit wordt ontzet wordt eerst de andere ouder - indien die er is - in
de gelegenheid gesteld om te verzoeken met het gezag te worden belast.
Alleen als deze het verzoek niet doet of als dit verzoek wordt afgewezen,
wordt de niet-ouder met het gezag belast.
Voogdij
Van voogdij is sprake als een ander dan de ouder het gezag over een minderjarige
uitoefent. Die ander kan zowel een natuurlijk persoon zijn als een
rechtspersoon. Voogdij kan ook door twee personen worden uitgeoefend. Indien er
één voogd is dan moet deze er zorg voor dragen dat de minderjarige
overeenkomstig zijn vermogen wordt verzorgd en opgevoed. Hij behoeft dit niet
zelf te doen en hij heeft jegens de minderjarige geen onderhoudsplicht. Zijn er
twee voogden dan is dit anders. Zij hebben de plicht en het recht om de
minderjarige zelf te verzorgen en op te voeden en zij zijn, zolang de voogdij
duurt, jegens de minderjarige onderhoudsplichtig. Een voogd wordt in beginsel
benoemd door de rechter, maar kan ook bij testament benoemd worden.
Testamentaire voogdij
Iedere ouder kan bij testament bepalen wie na zijn overlijden als voogd of
voogden het gezag over zijn minderjarige kinderen zal of zullen hebben.
Door die benoeming heeft de rechter hier in beginsel geen taak meer.
Een rechtspersoon kan niet bij testament tot voogd worden benoemd.
De benoeming van een voogd door een ouder heeft geen gevolg als na zijn
overlijden de andere ouder van rechtswege het gezag uitoefent. Dit is het
geval als de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. Overlijdt de ouder
die samen met een niet-ouder het gezag uitoefende, dan wordt de niet-ouder
van rechtswege voogd over de kinderen. Ook dan heeft de voogdijbenoeming
door de ouder geen effect.
De aangewezen voogd hoeft pas na het overlijden te beslissen of hij de
aanwijzing aanvaardt. Het is van belang om van tijd tot tijd na te gaan of
de bij testament aangewezen voogd nog bereid en in staat is om de voogdij
uit te oefenen. Is dat niet het geval, dan zal het testament wat dit
betreft moeten worden herroepen. Daarbij kan zo mogelijk een ander als
voogd worden aangewezen. De aanvaarding van de voogdij vindt plaats
doordat de voogd een verklaring in die zin aflegt op de griffie van het
kantongerecht.
Ook een ouder die alléén het gezag heeft over een kind kan een voogd
benoemen. De andere ouder kan echter na het overlijden aan de rechter
verzoeken om met het gezag te worden belast. Heeft de voogd zijn benoeming
nog niet aanvaard dan wijst de rechter dit verzoek alleen af als er
gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind worden
verwaarloosd. Heeft de voogd zijn benoeming wel aanvaard dan moet de
andere ouder, indien hij met het gezag wil worden belast, binnen een jaar
na de aanvang van de voogdij een verzoek hiertoe doen. De rechter wijst
ook in dit geval het verzoek alleen af als gegronde vrees bestaat dat bij
inwilliging van het verzoek de belangen van de kinderen zouden worden
verwaarloosd. Doet de andere ouder het verzoek meer dan een jaar nadat de
voogd zijn benoemd heeft aanvaard dan wordt het verzoek alleen ingewilligd
als de situatie is veranderd of bij een eerdere beslissing is uitgegaan
van onjuiste of onvolledige gegevens. De rechter kan voordat hij beslist,
eerst de raad voor de kinderbescherming om een onderzoek vragen. Indien de
rechter het verzoek van de ouder toewijst eindigt de voogdij.
Gezamenlijke voogdij
Een persoon die met de voogdij is belast kan (mits hij geen rechtspersoon is) de
rechter verzoeken om naast hem een ander, die een nauwe persoonlijke band met
het kind heeft, tot voogd te benoemen. Het verzoek moet door de voogd en de
ander gezamenlijk worden gedaan. Afwijzing van het verzoek vindt slechts plaats
als er gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind
worden verwaarloosd. Indien de rechter het verzoek inwilligt ontstaat
gezamenlijke voogdij. De voogden hebben dan de plicht en het recht om zelf de
minderjarige te verzorgen en op te voeden en zij zijn tijdens de voogdij jegens
de minderjarige onderhoudsplichtig.
Tegelijk met het verzoek tot gezamenlijke voogdij kan een verzoek tot
naamswijziging van het kind in de geslachtsnaam van een van de voogden worden
gedaan.
Einde van de gezamenlijke
voogdij
Gezamenlijke voogdij eindigt:
 | zodra het kind meerderjarig wordt;
 | na het overlijden van een van de voogden of als een van hen uit de
voogdij is ontslagen of ontzet. De overblijvende voogd oefent de
voogdij daarna alleen uit;
 | door beëindiging van de gezamenlijke voogdij op verzoek van een of
beide voogden;
 | door een rechterlijke beslissing waarbij het gezag over de
minderjarige aan een ander wordt opgedragen;
 | door ontheffing of ontzetting uit de voogdij van (één van de)
voogden. |
| | | |
Minderjarigheid: wat
mag een minderjarige?
Wetswijziging
Minderjarigen zijn in beginsel alleen bevoegd zelfstandig
rechtshandelingen te verrichten met toestemming van hun wettelijke
vertegenwoordiger(s). Rechtshandelingen zijn handelingen waardoor
rechten en plichten ontstaan, zoals kopen, huren en geld lenen.
De wetgever probeert aan te sluiten bij de praktijk van alle dag.
Daarom wordt de toestemming verondersteld gegeven te zijn in
gevallen waarbij dat in het dagelijks leven gebruikelijk is. Zoals
bijvoorbeeld het kopen van een buskaartje, een filmkaartje of een
schoolboek. De rol van de wettelijke vertegenwoordiger is dus
vooral bij oudere minderjarigen een eind teruggedrongen.
Wanneer ben je minderjarig?
Kinderen worden meerderjarig bij het bereiken van de
achttienjarige leeftijd. Wanneer een minderjarige trouwt, wordt
hij ook meerderjarig. Hij blijft dat ook als hij gaat scheiden. Al
is iemand van achttien meerderjarig, toch blijven ouders verplicht
te voorzien in de kosten van studie en levensonderhoud van hun
kinderen tot hun 21e jaar.
Handlichting
Het is mogelijk via handlichting de handelingsonbekwaamheid van
een minderjarige gedeeltelijk op te heffen. Dit kan vanaf de
leeftijd van zestien jaar. Handlichting moet aangevraagd worden
bij de kantonrechter. Voor het verkrijgen van handlichting is de
toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger nodig. Meestal
wordt handlichting verleend in verband met de uitoefening van een
bedrijf.
Minderjarigheid en naamrecht
Ouders kunnen kiezen welke achternaam hun kind gaat dragen, die
van de vader of die van de moeder. Maar de keuze is wel eenmalig
en moet ten tijde van de geboorte van het eerste kind (vóór of
bij de aangifte) worden uitgebracht. Alle volgende kinderen uit
deze relatie moeten dezelfde achternaam dragen. Anders zouden
broers en zussen uit een gezin mogelijk met verschillende
achternamen rondlopen.
Brengen de ouders geen keuze uit dan draagt het kind automatisch
de achternaam van de vader. Bij ongehuwde ouders krijgt het kind
automatisch de achternaam van de moeder. Pas als de vader het kind
officieel heeft erkend, kunnen de ouders kiezen voor de achternaam
van de vader. Ook zij dienen dan samen bij de burgerlijke stand
tegelijk met de erkenning die keuze te maken.
Ook bij adoptie kunnen ouders kiezen, welke achternaam het
geadopteerde kind zal dragen. Tenminste als het geadopteerde kind
hun eerste kind is. De ouders bepalen de achternaam van het
geadopteerde kind bij de rechter, waar ook de adoptie wordt
geregeld. Kinderen van zestien jaar en ouder hebben zelf iets in
te brengen. Wordt een kind van die leeftijd door de vader erkend
of door de ouders geadopteerd, dan kiest het kind zelf zijn
achternaam.
|
Curatele, bewind en
mentorschap
Curatele, bewind en mentorschap zijn maatregelen voor mensen die niet
(helemaal) voor zichzelf kunnen zorgen. De maatregelen zijn vooral bedoeld
als een bescherming van de persoon tegen andere mensen, die misbruik van
de situatie kunnen maken. De maatregelen zijn alleen mogelijk bij
meerderjarigen.
Curatele
Onder curatelestelling is de meest vergaande beschermingsmaatregel.
Curatele moet worden verzocht aan de rechtbank, die ook de uitspraak doet.
Er zijn drie redenen voor onder curatelestelling:
 | geestelijke stoornis
 | verkwisting
 | drankmisbruik waardoor de persoon zijn belangen niet meer waar kan
nemen. |
| |
Het gaat doorgaans om mensen, die vanaf hun geboorte een verstandelijke
handicap hebben, psychiatrische patiënten, verslaafden of mensen die
volstrekt niet met geld om kunnen gaan. Iemand die onder curatele is
gesteld, is handelingsonbekwaam en kan niet zelfstandig overeenkomsten
sluiten. De curator treedt voor hem op. De onder curatele stelling moet
worden gepubliceerd in de Staatscourant en twee kranten. Zo worden derden
op de hoogte gesteld.
Meerderjarigenbewind
Voor ouderen, die zelf niet meer goed hun geldzaken kunnen
behartigen, is curatele wel een erg zware maatregel, omdat men dan
handelingsonbekwaam wordt. Daarom is er een regeling in de wet opgenomen,
namelijk onderbewindstelling van meerderjarigen die veel minder zwaar is.
De bewindvoerder voert het financiële beheer voor degene die onder bewind
gesteld is. Het bewind van het vermogen wordt ingesteld door de
kantonrechter op verzoek van de betrokkene zelf, zijn echtgenoot of
levensgezel, familie of de officier van justitie. Meestal is ook een
verklaring van een arts nodig. Een belangrijk verschil met curatele is,
dat de bewindvoerder voor een groot aantal handelingen de toestemming van
de betrokkene of machtiging van de kantonrechter nodig heeft.
Mentorschap
Het is ook mogelijk om voor iemand, die op het persoonlijke
(niet-financiële) vlak niet voor zichzelf kan zorgen een mentor te
benoemen. De mentor geeft advies en neemt zoveel mogelijk in overleg met
degeen voor wie hij tot mentor is benoemd beslissingen op het gebied van
verzorging, verpleging en andere terreinen. Ook de benoeming van een
mentor moet aan de kantonrechter verzocht worden.

Top |
|