samenlevingsvormen


 

Home
Up

Samenlevingsvormen


Affectieve relaties tussen twee personen worden door de wet geregeld in de vorm van het huwelijk of in de vorm van het geregistreerd partnerschap. Beide vormen staan ook open voor personen van gelijk geslacht. De gevolgen die de wet aan het huwelijk en het geregistreerd partnerschap verbindt, zijn op vermogensrechtelijk gebied dezelfde.

Een paar dat geen huwelijk of registratie wenst, kan de vermogensrechtelijke gevolgen van de samenleving regelen met een samenlevingscontract. Het gaat primair om afspraken tussen de partners onderling. Het bestaan van een notarieel samenlevingscontract kan echter voor de toepassing van bepaalde regelingen als voorwaarde worden gesteld. In het bijzonder kan hier worden gedacht aan partnerpensioenregelingen, secundaire arbeidsvoorwaarden en bepaalde erfrechtelijke voorzieningen.


Verschillen tussen huwelijk, geregistreerd partnerschap en samenwonen


Meer informatie over:

trouwen en geregistreerd partnerschap

huwelijk met internationale aspecten

samenwonen / samenlevingscontract 
gezag en voogdij 

Verschillen tussen huwelijk, geregistreerd partnerschap en samenwonen

Vaak zal in het gesprek met de (kandidaat-)notaris de vraag rijzen welke verschillen bestaan tussen huwelijk, geregistreerd partnerschap en ongehuwd samenleven met alleen een (notarieel) samenlevingscontract. De belangrijkste verschillen zijn: 

  1. Formaliteiten
    Zowel huwelijk als geregistreerd partnerschap komen tot stand bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Ook de beëindiging van de relatie door de echtgenoten of partners is gebonden aan formaliteiten. Aan ongehuwd samenleven stelt de wet geen eisen. Een samenlevingscontract kan, maar hoeft niet te worden gemaakt. 

  2. Levensonderhoud
    Zowel gehuwden als geregistreerde partners zijn wettelijk verplicht elkaar ‘het nodige’ te verschaffen. Daarvan kan niet worden afgeweken. Na beëindiging van de relatie kan een alimentatieplicht ontstaan. ‘Gewoon’ ongehuwd samenlevenden hebben jegens elkaar geen onderhoudsplicht. Bij de vaststelling van het recht op en de hoogte van sommige uitkeringen, wordt het inkomen van de andere samenlever wel in aanmerking genomen. 

  3. Gemeenschap van goederen
    Door het huwelijk of de registratie van het partnerschap ontstaat tussen de echtgenoten of partners van rechtswege de algehele gemeenschap van goederen. Van deze gemeenschap van goederen kan worden afgeweken door het maken van huwelijkse voorwaarden of partnerschapsvoorwaarden. 
    Indien men ongehuwd gaat samenleven, ontstaat geen gemeenschap van goederen. Wel kunnen goederen gezamenlijk in eigendom worden verkregen.

  4. Huur
    Indien een gehuwd of een geregistreerd persoon woonruimte huurt voor gezamenlijke bewoning, is diens echtgenoot of geregistreerde partner automatisch medehuurder. Een ‘gewoon’ ongehuwd samenlevende partner is dat niet. Wel kunnen zij gezamenlijk een verzoek daartoe aan de verhuurder doen. Als de samenwoning twee jaar heeft geduurd, moet de verhuurder hem of haar in beginsel als medehuurder erkennen. Vóór die instemming heeft de partner van de huurder geen rechten met betrekking tot de woning. 

  5. Pensioen
    Deelnemers aan een (aanvullende) pensioenregeling bouwen ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen (weduwen- en weduwnaarspensioen) op. Daarvoor worden bij het pensioenfonds rechten opgebouwd. Voor het geval van echtscheiding of beëindiging van geregistreerd partnerschap heeft de wetgever geregeld wat met die rechten dient te geschieden. Van toepassing is de ‘Wet verevening pensioenrechten bij scheiding’. Het tijdens het bestaan van het huwelijk of het geregistreerd partnerschap opgebouwde ouderdomspensioen wordt ¬ tussen de gewezen echtgenoten/partners verdeeld. Het nabestaandenpensioen komt, voor zover opgebouwd tot de scheidingsdatum, alleen toe aan de gewezen echtgenoot/partner. 
    De meeste pensioenfondsen kennen voor ongehuwd samen¬ levenden een partnerpensioen. Dat is te vergelijken met het nabestaandenpensioen. Er bestaat geen regeling voor het ouderdomspensioen. Om voor het partnerpensioen in aanmerking te komen dient aan enige vereisten te worden voldaan. Die verschillen van fonds tot fonds. Meestal wordt een notarieel samenlevingscontract verlangd. De wet pensioenrechten is niet van toepassing op “gewoon” ongehuwd samenlevenden. 

  6. Erfrecht
    In geval van huwelijk en geregistreerd partnerschap erft de langstlevende echtgenoot of partner volgens de wet samen met de kinderen. In het huidige erfrecht erven de kinderen slechts een vordering op de langstlevende en behoudt de langstlevende de hele nalatenschap. Volgens de wet erven ‘gewoon’ ongehuwd samenlevenden niet van elkaar. ‘Gewoon’ ongehuwd samenlevenden moeten daarom een testament maken. 

  7. Successierecht
    Deze belasting wordt geheven over hetgeen uit iemands nalatenschap wordt verkregen. Een langstlevende echtgenoot of langstlevende geregistreerde partner geniet een vrijstelling van 532.667 euro (2008), ongeacht hoe lang het huwelijk of de registratie duurde. Op die vrijstelling wordt echter in mindering gebracht de helft van de waarde van pensioenaanspraken [en dergelijke]. De vrijstelling bedraagt echter minimaal 149.622 euro (2008). Over het hetgeen meer dan het vrijgestelde bedrag wordt verkregen, wordt 5-27% successierecht betaald, afhankelijk van de waarde van de verkrijging.
    Voor ‘gewoon’ ongehuwd samenwonenden geldt een minder ruimhartige regeling. Indien de gemeenschappelijke huishouding minder dan twee jaar heeft geduurd, bestaat er in beginsel geen vrijstelling. Na het verstrijken van de periode van twee jaar loopt de vrijstelling in drie jaar geleidelijk op naar hetzelfde bedrag als geldt voor gehuwden. Zo lang de termijn van vijf jaar niet is verstreken wordt belasting geheven naar een tarief van 41-68%. Pas na vijf jaar valt men in het gehuwdentarief [5-27%]

Samenwoners die langer dan 6 maanden:

- samenwonen;
- ingeschreven staan op hetzelfde woonadres in de gemeentelijke basisadministratie;
- en de zorgverplichting hebben vastgelegd in een notarieel samenlevingscontract; 

  hebben direct een vrijstelling van 532.667 euro (2008). Dat is anders als de samenwoners bloedverwanten in rechte lijn zijn (bijvoorbeeld ouders of kinderen) of als de samenwoners zich voor de heffing van de inkomstenbelasting hadden kunnen laten kwalificeren als partner, maar dit hebben nagelaten gedurende vijf jaar voorafgaande aan het moment van overlijden van een van de samenwoners.
 

  1. Kinderen
    Van belang is nu of tussen een ouder en een kind 'familierechtelijke betrekkingen' bestaan. 
    Dat heeft gevolgen voor de geslachtsnaam, het gezag (ouderlijk gezag/voogdij), het omgangsrecht en het erfrecht.

Huwelijk man/vrouw
Wanneer sprake is van een huwelijk tussen een man en een vrouw bestaan tussen een uit een huwelijk geboren kind en zijn beide ouders automatisch familierechtelijke betrekkingen. 
Huwelijk van twee vrouwen
Als in een huwelijk van twee vrouwen een kind wordt geboren, is de vrouw die het kind baart de moeder. Maar de vrouw met wie zij is getrouwd, is niet volgens de wet automatisch de andere ouder. 

Huwelijk van twee mannen
Hetzelfde geldt als twee met elkaar getrouwde mannen samen een kind verzorgen en opvoeden en één van hen de vader is van het kind. 

Onderhoudsplicht jegens kinderen
Wel is het zo dat de niet-ouder in een huwelijk van twee vrouwen of twee mannen als stiefouder een onderhoudsplicht jegens de kinderen in het gezin heeft. Deze plicht duurt in elk geval zo lang het huwelijk duurt.
Andere rechten en plichten kunnen alleen ontstaan door adoptie of door gezamenlijk gezag.

Adoptie
De niet-ouder kan het kind adopteren. Hierdoor wordt hij of zij in juridisch opzicht de ouder van het kind. Alle juridische familiebanden met de oorspronkelijke ouder (als die er is) worden dan doorgesneden. Dit is een ingrijpende stap en er gelden dan ook strenge voorwaarden.

Gezamenlijk gezag
De tweede mogelijkheid is minder ingrijpend en ligt praktisch soms meer voor de hand. Als de niet-ouder een nauwe persoonlijke band heeft met het kind, kunnen de ouder en de niet-ouder aan de rechter vragen om aan hen het gezamenlijke gezag toe te kennen. De niet-ouder heeft in dat geval dezelfde gezagsrechten en plichten als de ouder. Hij of zij is dan samen met de ouder in alle opzichten verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding van het kind. De ouder en zijn of haar echtgenoot kunnen de rechter ook vragen om de achternaam van het kind te wijzigen in die van de ouder of de echtgenoot. 
Over een kind dat tijdens een geregistreerd partnerschap of een huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht wordt geboren, hebben de ouder en de echtgenoot/partner automatisch het gezamenlijk gezag, als er geen andere ouder is. Zijn de beide geregistreerde partners ouder, dan hebben zij altijd het gezamenlijk gezag. Zijn de ongehuwd samenwonenden de vader en moeder van het kind, dan kunnen zij het gezamenlijk gezag verkrijgen door een aantekening op hun verzoek in het gezagsregister bij de rechtbank.

Geregistreerde partners en ongehuwd samenwonenden
Bij ongehuwd samenleven ontstaan door de geboorte alleen familie¬rechtelijke betrekkingen tussen de moeder en het kind. Familierechtelijke betrekkingen tot de vader ontstaan eerst doordat deze het kind erkent. Deze erkenning kan reeds tijdens de zwangerschap geschieden. Erkenning is mogelijk bij de ambtenaar van de burgerlijke stand en bij de notaris.
Voor de erkenning is in beginsel de toestemming van de moeder nodig. rechtbank kan vervangende toestemming geven indien de man de verwekker is van het kind en de belangen van moeder en kind daardoor niet worden geschaad.
 

Top

 

Trouwen en geregistreerd partnerschap 

 

Gevolgen

Sinds 1 april 2001 is het huwelijk een samenlevingsverband van een man en een vrouw, twee mannen of twee vrouwen.
Slechts duurzame ontwrichting van de relatie vormt een grond voor echtscheiding.
De vermogensrechtelijke gevolgen van het huwelijk worden geregeld door het huwelijksvermogensrecht.
Door middel van een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden - in de praktijk spreekt men doorgaans van 'huwelijkse voorwaarden'- kan worden afgeweken van een aantal wettelijke regels. Dat moet vrijwel altijd bij notariële akte.
Al vanaf 1 januari 1998 biedt de wet de mogelijkheid aan twee personen van hetzelfde of van verschillend geslacht om hun relatie bij de burgerlijke stand te laten registreren. Voor de gevolgen van het 'geregistreerd partnerschap' gelden dezelfde wettelijk regels als voor het huwelijk (huwelijksvermogensrecht).

In dit onderdeel van de site zullen gemakshalve overwegend de termen 'huwelijk', 'huwelijkse voorwaarden' en 'echtgenoot' worden gebruikt. Tenzij anders blijkt, geldt hetgeen geschreven wordt dus ook voor partnerschapsvoorwaarden en voor geregistreerde partners.

 

gemeenschap van goederen

Door de voltrekking van het huwelijk (waaronder hierna tevens te begrijpen het 'geregistreerd partnerschap') ontstaat een algehele gemeenschap van goederen. Alle schulden zijn in beginsel gemeenschappelijk. Dat betekent dat iedere schuldeiser van de echtgenoten zich kan verhalen op de gehele gemeenschap. Na echtscheiding wordt men ook voor de helft aansprakelijk voor de gemeenschapsschulden die de ander heeft gemaakt.
Schenkingen en erfrechtelijke verkrijgingen zullen vaak niet tot de gemeenschap behoren omdat de erflater of schenker bepaalt dat hetgeen wordt verkregen niet in een huwelijksgemeenschap valt.

Een voordeel van de gemeenschap van goederen is dat de echtgenoot die niet of weinig inkomsten uit arbeid heeft, deelt in de opbouw van het vermogen. Huishoudelijke en opvoedkundige arbeid wordt aldus indirect beloond.
Ingeval van overlijden overlijden van een echtgenoot is de helft van de gemeenschap van goederen zijn nalatenschap. De andere helft behoort op grond van de wet toe aan de andere echtgenoot.
Bij echtscheiding wordt het gemeenschappelijk vermogen gedeeld. 'Redelijkheid en billijkheid' spelen dan een grote rol. Deze kunnen er toe leiden dat bijvoorbeeld een huis of een onderneming (aandelen) worden toegedeeld aan één van beiden en dat de ander genoegen moet nemen met geld. Als een echtgenoot een onderneming drijft is het vaak van belang om huwelijkse voorwaarden te maken. Echtscheiding kan anders te veel gevaren opleveren voor de continuïteit van de onderneming. Bij de regeling mag echter het belang van de echtgenoot van de ondernemer niet uit het oog worden verloren.

 

huwelijksvoorwaarden en partnerschapsvoorwaarden

Door het opmaken van huwelijkse voorwaarden kan worden afgeweken van de wettelijke algehele gemeenschap van goederen. Wie huwelijkse voorwaarden wil maken, heeft in beginsel een grote mate van vrijheid (contractsvrijheid). Maar niet kan worden afgeweken van regels die 'gezinsbescherming' beogen. Zo is altijd de toestemming van de andere echtgenoot vereist voor onder andere het verkopen of met hypotheek belasten van de gezamenlijk bewoonde woning en voor het doen van schenkingen. Ook de wederzijdse onderhoudsplicht is een belangrijke regeling van dwingende aard.
Voor de inrichting van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden zijn o.a. van belang:

bulletde wens het bestaande en/of toekomstige inkomen en vermogen te delen;
bulletde bereidheid het 'verlies in verdiencapaciteit', dat kan optreden door het uitoefenen van verzorgende en opvoedende taken, te compenseren;
bulletde wenselijkheid een onderneming te beschermen tegen de gevolgen van echtscheiding of schulden van de andere echtgenoot;
bulletde mate waarin partijen het ouderdoms- en nabestaandenpensioen bij echtscheiding wensen te delen;
bulletde verzorging van de overblijvende partner in geval van overlijden.

Een lastig probleem bij het opstellen van een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden is dat de overeenkomst wordt aangegaan voor een lange duur. Er moet daarom zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de mogelijkheid dat omstandigheden veranderen.

 

soorten voorwaarden

Soorten huwelijkse voorwaarden of partnerschapsvoorwaarden

Koude uitsluiting
Koude uitsluiting noemt men de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden waarbij tussen partijen geen enkele gemeenschap van goederen bestaat. Het woord 'koud' heeft betrekking op het feit dat partijen op geen enkele wijze hun inkomen en vermogenstoename verrekenen (delen). Deze huwelijkse voorwaarden zorgen ervoor dat tussen de echtgenoten een minimum aan financiële banden bestaat. Het enige dat hen financieel bindt, is de wettelijke verplichting elkander 'het nodige' te verschaffen.
Deze huwelijkse voorwaarden houden grote risico's in voor een echtgenoot die, nu of in de toekomst, geen eigen inkomen heeft. Hij of (meestal) zij deelt in geen enkel opzicht in de vermogens-toename die bij de andere echtgenoot optreedt, terwijl hij geen eigen vermogen kan vormen. Niettemin kunnen deze huwelijkse voorwaarden aanvaardbaar zijn, bijvoorbeeld als de economische zelfstandigheid van een partner door het huwelijk niet in gevaar komt of als ouderen trouwen.

Beperkte gemeenschap
De wet biedt de mogelijkheid om bij huwelijkse voorwaarden voor een beperkte gemeenschap van goederen te kiezen. De gemeenschap omvat dan bijvoorbeeld al hetgeen tijdens het huwelijk wordt verkregen, anders dan door schenking of erfrecht. Voor de rest bestaat dan een gemeenschap, met onder andere het gevolg dat de schulden van ieder der echtgenoten kunnen worden verhaald op de gehele gemeenschap. In de praktijk komen zulke huwelijkse voorwaarden nauwelijks voor. Dat is vooral ook te wijten aan het feit dat de meeste echtgenoten er niet in slagen ieders eigen vermogen én het gemeenschappelijk vermogen uit elkaar te houden.

Verrekenstelsels
Het elders geschetste bezwaar tegen de 'koude uitsluiting' (geen deling van inkomsten) wordt in de praktijk ondervangen door aan de uitsluiting van iedere gemeenschap een of meer verrekenbedingen toe te voegen.
Men spreekt van een 'periodiek verrekenbeding' ingeval het beding verplicht tot jaarlijkse verrekening van de gespaarde inkomsten. Vaak wordt de verrekening beperkt tot de inkomsten uit arbeid. Rente, dividend en dergelijke vallen er dan niet onder.
Als de verrekening niet periodiek maar slechts aan het eind van de rit (echtscheiding, overlijden) moet gebeuren, is er sprake van een 'finaal verrekenbeding'.
In geval van overlijden wordt vaak dan meestal afgerekend alsof algehele gemeenschap had bestaan. Bij echtscheiding wordt van de verrekening uitgesloten hetgeen ten huwelijk is aangebracht en hetgeen krachtens schenking of erfrecht is verkregen.
Doorgaans worden zowel een periodiek als een finaal verrekenbeding opgenomen. Daardoor wordt voorkomen dat problemen ontstaan doordat geen verrekening gedurende de huwelijksjaren plaatsvindt. Het opnemen van een periodiek verrekenbeding is toch zinvol omdat het de mogelijkheid opent tijdens het huwelijk vermogen over te hevelen van de een naar de ander. Dat kan dan niet als een schenking worden aangemerkt.
Het verdient aanbeveling in de huwelijkse voorwaarden vast te leggen wat onder 'inkomsten' wordt verstaan. In het algemeen zal daarbij ook moeten worden gelet op de winst die wordt gemaakt in een BV waarin één van beiden de meerderheid of alle aandelen houdt, danwel tevens directeur is. In die hoedanigheid kan hij de hoogte van het inkomen verregaand beïnvloeden.

 

huishoudkosten

Meestal wordt overeengekomen dat partijen de kosten van de huishouding voor hun rekening nemen naar evenredigheid van hun netto-inkomsten (uit arbeid).
Veelal verdient het aanbeveling te omschrijven wat als kosten van de huishouding wordt aangemerkt. Rente (bijvoorbeeld voor een woninghypotheek) en huur vallen daar zeker onder. Maar ook autokosten, onroerende zaakbelasting en kosten van kinderopvang kunnen daaronder worden begrepen.

 

en/of rekening

Het aanhouden van een zogenaamde 'en/of-rekening' is praktisch. Ten laste daarvan kunnen bijv. de kosten van de huishouding worden betaald. Ingeval gekozen is voor een -verrekenbeding betreffende de inkomsten (uit arbeid), kan ieders inkomen op die rekening worden gestort. Tot het saldo op die rekening zijn beiden dan krachtens het verrekenbeding voor de helft gerechtigd.
Het gebruik van een en/of-rekening betekent niet automatisch dat het tegoed aan ieder van de partners voor de helft toekomt. Met 'en/of' wordt slechts aangeduid dat de partners zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk over het tegoed kunnen beschikken. Het tegoed komt in beginsel toe aan degene die het op de rekening gestort heeft of heeft laten storten.

inboedel en dergelijke

Het feit dat iedere huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap bij huwelijkse voorwaarden is uitgesloten, verhindert niet dat bijvoorbeeld inboedelgoederen op naam van beide echtgenoten worden 'gezet'.
Maar inboedel kan ook uitdrukkelijk aan een van beide echtgenoten toebehoren. Indien administratie ontbreekt, zal de bewijslevering echter niet steeds eenvoudig zijn.
Daarom wordt bijvoorbeeld bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden ten aanzien van de al aanwezige goederen vaak (onaantastbaar) vastgelegd wat van wie is. De (kandidaat-)notaris zal daarom vragen of partijen de aanbreng van ieder van hen gespecificeerd op een lijst willen vermelden. Van alle op de lijst vermelde goederen staat vast wie de eigenaar is en daarover kan geen geschil ontstaan.

 

eigen woning

Het feit dat iedere huwelijksvermogensrechtelijke gemeenschap bij huwelijkse voorwaarden is uitgesloten, verhindert niet dat bijvoorbeeld een huis op naam van beide echtgenoten wordt 'gezet'. Tot ieders eigen vermogen behoort dan de helft van dat huis. Schuldeisers van één der echtgenoten kunnen zich dan slechts verhalen op die helft.
Ingeval een huis geheel of gedeeltelijk op naam wordt gezet van een ander dan degene die de koopprijs betaalt, is het raadzaam de gevolgen van deze betaling schriftelijk vast te leggen. Bij eventuele scheiding, maar ook bij overlijden, kunnen anders grote problemen ontstaan. Het is goed zich door de (kandidaat-)notaris te laten voorlichten.

 

(spaar)hypotheek

Indien het huis wordt gefinancierd met behulp van een hypothecaire lening, behoort de verschuldigde rente tot de kosten van de huishouding. Aflossingen komen voor rekening van de eigenaren in verhouding tot ieders deel in de eigendom. Betaalt de een te veel aan aflossing dan ontstaat een vergoedingsrecht jegens de ander.
Vaak behoeft op een hypothecaire lening of een deel daarvan niet periodiek te worden afgelost. In plaats daarvan is dan doorgaans een spaarregeling getroffen. In plaats van aflossingen betaalt men spaarpremies aan een verzekeringsmaatschappij. Gedurende de looptijd van de lening (veelal dertig jaar) wordt dan een bedrag gespaard dat samen met de (gefixeerde) beleggingswinst gelijk is aan het totale geleende bedrag. De premies zijn, evenals aflossingen, fiscaal niet aftrekbaar maar de beleggingswinst is onder omstandigheden vrij van inkomstenbelasting.

 

overlijdensrisicoverzekering

Bij een spaarhypotheek wordt het risico van voortijdig overlijden gedekt door een overlijdensrisicoverzekering.
Een uitkering op grond van een overlijdensrisicoverzekering wordt met successierecht belast indien voor de verkrijging 'iets' aan het vermogen van de overledene is onttrokken, zoals premies voor de verzekering. Om te voorkomen dat successierecht moet worden betaald dient er op te worden gelet:

  1. dat de premies verschuldigd zijn door een ander dan de verzekerde (de overledene), en
  2. dat de huwelijkse voorwaarden zodanig zijn ingericht dat premies niet indirect geheel of ten dele voor rekening komen van de verzekerde (de overledene)(bijvoorbeeld via een verrekenbeding).

Het voorgaande houdt tevens in dat het bij de 'spaarhypotheek' nodig is de premie te splitsen in een spaarpremie en een risicopremie.
De (kandidaat-)notaris kan u ook over dit moeilijke onderwerp nadere informatie verschaffen.

 

pensioen

Elders werd reeds gewezen op de 'Wet pensioenverevening bij scheiding'. Deze wet regelt de deling bij helfte (de zogenaamde verevening) van het tijdens het huwelijk opgebouwde ouderdomspensioen. Bij huwelijkse voorwaarden kan men van die regeling afwijken, onder andere door ook het vóór het huwelijk opgebouwde pensioen in de verevening te betrekken. Ook kan worden afgezien van iedere verevening.

 

tweede huwelijk / geregistreerd partnerschap

Voor wie in het huwelijk treedt en kinderen heeft uit een eerdere relatie, zal het maken van huwelijkse voorwaarden vaak zeer wenselijk zijn. Zonder huwelijkse voorwaarden ontstaat immers een gemeenschap van goederen. Dat kan voordelig zijn indien de partner vermogender is. Het is echter nadelig ingeval de nieuwe partner minder vermogen bezit. Daarbij moet u bedenken dat er geen garantie bestaat dat het door huwelijk verkregen vermogen terugkeert naar de familie waar het vandaan kwam. Volgens de wet erven echtgenoten van elkaar een kindsdeel, maar erven kinderen niet van hun stiefouder. Om dat te bereiken moet de stiefouder een testament maken. Een testament kunt u altijd wijzigen (herroepen). Hiermee vervalt het testament dat u al had gemaakt.

 

Aangaan, wijziging of opheffing van voorwaarden

Tijdens het huwelijk kunnen huwelijkse voorwaarden worden gewijzigd of alsnog worden aangegaan. Aangezien het een overeenkomst betreft, is de medewerking van beide partijen nodig. Voor wijziging (opheffing) kan reden bestaan met het oog op de toekomstige heffing van successierecht maar ook om (meer) evenwichtige economische verhoudingen tussen de echtgenoten te creëren.
Voor het maken of wijzigen van huwelijkse voorwaarden tijdens het huwelijk is de goedkeuring van de rechtbank vereist, hetgeen kostenverhogend werkt. Indien men, nadat men is geregistreerd als partners, met dezelfde partner wil trouwen en voor dát huwelijk huwelijkse voorwaarden wil maken (danwel de eerder gemaakte partnerschapsvoorwaarden wil wijzigen), is voor de huwelijkse voorwaarden goedkeuring van de rechtbank vereist. Als men de eerder gemaakte partnerschapsvoorwaarden wil handhaven, dan is het niet nodig om ter gelegenheid van het sluiten van het (opvolgend) huwelijk huwelijkse voorwaarden te maken. De partnerschapsvoorwaarden blijven als huwelijkse voorwaarden van kracht.

 

checklist

De (kandidaat-)notaris is de deskundige bij uitstek op het gebied van de huwelijkse voorwaarden. Een notariële akte is wettelijk vereist. De inrichting van de overeenkomst hangt echter vooral af van de wensen van partijen. In het overleg met de (kandidaat-)notaris zullen meestal de volgende vragen aan de orde komen:

bulletIn hoeverre willen partijen hun vermogen (aanbreng, schenkingen, erfenissen) delen?
bulletWillen partijen hun (arbeids)inkomsten delen?
bulletIn welke verhouding nemen partijen de kosten van de huishouding voor hun rekening?
bulletDient het belang van een onderneming (BV) bijzondere aandacht te hebben?
bulletWat moet er geregeld worden ten aanzien van het huis en de financiering daarvan?
bulletHoe wordt het huwelijk afgewikkeld bij een eventuele echtscheiding?
bulletWat zijn de gevolgen van het overlijden van één van beiden?
bulletHeeft het aangaan van huwelijkse voorwaarden gevolgen op het gebied van het pensioen?
bulletWaarop dient bij het afsluiten van levensverzekeringen en de betaling van de premie te worden gelet?

 

Top

 

Huwelijk met internationale aspecten

Huwelijk over de grenzen

Deze informatie gaat over het huwelijksvermogensrecht in internationaal verband. De belangrijkste regels van het hiermee samenhangende Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 worden in dit onderdeel uiteengezet. Van bijzonder belang hierbij is de regeling van de rechtskeuze.

Deze informatie is bestemd voor mensen die getrouwd zijn of van plan zijn te trouwen. De informatie is met name belangrijk voor diegenen van wie het (aanstaande) huwelijk internationale aspecten vertoont.
De informatie geldt vooralsnog niet voor geregistreerde partners, van wie het geregistreerde partnerschap internationale aspecten vertoont. Ook ten aanzien van echtparen van hetzelfde geslacht van wie het huwelijk internationale aspecten vertoont, is vooralsnog niet duidelijk of het verdrag van toepassing is.

Huwelijksvermogensrecht in Nederland

Algemeen
Het huwelijk heeft belangrijke gevolgen. Het heeft onder meer gevolgen voor de positie van de kinderen die gedurende het huwelijk worden geboren. Het huwelijk heeft ook gevolgen voor het erfrecht en de rechten op sociale en andere uitkeringen, zoals bijvoorbeeld pensioenaanspraken van weduwen of weduwnaars. Niet in de laatste plaats heeft het huwelijk gevolgen voor het vermogen van de echtgenoten. Hiervoor kent de wet bijzondere regels, die samen het huwelijksvermogensrecht vormen.

Nederlands huwelijksvermogensrecht
Het huwelijk heeft gevolgen voor de eigendom van de goederen die u en uw echtgenoot* bezitten. Het geheel van regels voor de bezittingen en de schulden van echtgenoten wordt huwelijksvermogensrecht genoemd. Echtgenoten kunnen volgens Nederlands recht hun huwelijksvermogen op verschillende manieren inrichten: of op basis van het wettelijk stelsel of op basis van huwelijkse voorwaarden.

* In deze tekst wordt steeds met echtgenoot ook bedoeld echtgenote.

Wettelijk stelsel
Het Nederlands wettelijk stelsel bepaalt dat alle bezittingen en schulden die u en uw echtgenoot vóór het huwelijk hadden, samenvloeien op het moment dat u trouwt. Ook alle bezittingen en schulden die er tijdens het huwelijk bijkomen, zijn in beginsel gemeenschappelijk. Dit wordt de algehele gemeenschap van goederen genoemd. Na de beëindiging van uw huwelijk door overlijden of echtscheiding wordt het gemeenschappelijk vermogen in beginsel zo verdeeld dat u de helft krijgt van de bezittingen en schulden. Dit wettelijk stelsel geldt wanneer de echtgenoten zelf niets geregeld hebben.

Huwelijkse voorwaarden
U kunt van het wettelijk stelsel afwijken door met uw echtgenoot een regeling te treffen in huwelijkse voorwaarden. Hiermee kunt u bijvoorbeeld voorkomen dat de schulden, gemaakt door uw echtgenoot, verhaald kunnen worden op uw eigen vermogen. Na de beëindiging van uw huwelijk door overlijden of echtscheiding worden bovendien de schulden en bezittingen verdeeld volgens de huwelijkse voorwaarden. In Nederland moet u deze huwelijkse voorwaarden laten maken door de notaris. De notaris zorgt ervoor dat de huwelijkse voorwaarden worden opgenomen in het openbare huwelijksgoederenregister. Dit register ligt voor iedereen ter inzage bij de griffie van de rechtbank in het arrondissement waar u bent getrouwd. Een schuldeiser van u of uw echtgenoot kan dus nagaan of u op huwelijkse voorwaarden bent getrouwd en zo ja welke huwelijkse voorwaarden in uw geval zijn gemaakt. In de huwelijkse voorwaarden kunt u niet onbeperkt regelen wat u wilt. De notaris kan alleen huwelijkse voorwaarden maken die de wet toestaat.

De huwelijkse voorwaarden kunt u zowel voor als tijdens uw huwelijk laten maken. Tijdens het huwelijk is dit echter omslachtiger en duurder.

Buitenlands huwelijksvermogensrecht

Ieder land heeft zijn eigen regels van huwelijksvermogensrecht. Vaak verschillen deze van de Nederlandse regels. In andere landen bestaat het wettelijk stelsel bijna nooit uit een algehele gemeenschap van goederen zoals in het Nederlandse recht. Zo zijn er landen waar de regel geldt dat ieder van de echtgenoten van zijn eigen bezittingen eigenaar is en blijft na de huwelijkssluiting. De andere echtgenoot heeft met die bezittingen niets te maken. In de meeste landen is het echter meestal ook mogelijk van het wettelijk stelsel af te wijken door het maken van huwelijkse voorwaarden

Huwelijk met internationale aspecten

Definitie
U kunt met buitenlands recht te maken krijgen als uw huwelijk internationale aspecten vertoont. Uw huwelijk heeft internationale aspecten wanneer u en/of uw (aanstaande) echtgenoot:

bulleteen buitenlandse (dat wil zeggen niet-Nederlandse) nationaliteit heeft; of
bullettijdens het huwelijk in het buitenland heeft gewoond en zich daarna in Nederland vestigt; of
bullettijdens het huwelijk in Nederland heeft gewoond en u van plan bent u in het buitenland te vestigen; of
bullettijdens uw huwelijk een tijdlang in Nederland heeft gewoond en thans in het buitenland woont; of
bullettijdens het huwelijk van nationaliteit verandert (naturalisatie);
bulletbezittingen in het buitenland heeft (bijvoorbeeld een bankrekening of een huis); of
bullettijdens uw huwelijk 10 jaar aaneengesloten woonachtig bent (geweest) in een land waarvan u de nationaliteit niet heeft.

Uw huwelijk heeft geen internationale aspecten wanneer u en uw echtgenoot op het moment dat u met elkaar trouwt Nederlander bent en u bovendien altijd met uw echtgenoot in Nederland heeft gewoond, geen bezittingen in het buitenland heeft, geen plannen heeft om u in het buitenland te vestigen of aldaar een huis te kopen.

Wanneer geldt welk recht?

Internationaal privaatrecht
Wanneer uw huwelijk internationale aspecten heeft moet u zich afvragen of u wel onder het Nederlandse recht valt. Het is namelijk niet vanzelfsprekend dat u onder het Nederlandse huwelijksvermogensrecht valt. Of u onder het Nederlandse recht of onder het recht van een ander land valt, wordt bepaald door de regels van internationaal privaatrecht. Ieder land heeft zijn eigen regels van internationaal privaatrecht. In Nederland passen de autoriteiten (rechters, (kandidaat-)notarissen e.d.) de regels van het Nederlandse internationaal privaatrecht toe (en dat ongeacht uw eigen nationaliteit). In bijvoorbeeld België of Frankrijk worden de regels van het Belgische respectievelijk het Franse internationaal privaatrecht toegepast (en dat ongeacht uw nationaliteit).
Toepassing van verschillende regels van internationaal privaatrecht kan tot verschillende, soms tegenstrijdige resultaten leiden. Om dat te voorkomen sluiten landen verdragen. De landen die partij worden bij een verdrag passen dan dezelfde verdragsregels toe.
Voor het huwelijksvermogensrecht is er zo'n verdrag: het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978.

Verdragslanden
Momenteel zijn er drie landen bij het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 aangesloten: het Koninkrijk der Nederlanden (alleen voor Nederland en niet voor Aruba of de Nederlandse Antillen), Frankrijk en Luxemburg. Het verdrag voor deze landen is per 1 september 1992 in werking getreden.

Voor wie geldt het verdrag?
Bij de toepassing van de regels van het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 is de huwelijksdatum van doorslaggevende betekenis. Van belang is met name of u vóór dan wel op of ná 1 september 1992 bent getrouwd.

U bent vóór 1 september 1992 getrouwd
Voor u is het verdrag alleen belangrijk in verband met de rechtskeuze. De overige regels van het verdrag zijn voor u niet van belang. Om te bepalen welk recht op uw huwelijksvermogensregime van toepassing is, moeten andere regels worden toegepast. Deze regels zijn te vinden in een oud verdrag of in de rechtspraak. De (kandidaat-)notaris kan u hierover informeren.

U bent op of ná 1 september 1992 getrouwd
Het verdrag is met name van belang voor diegenen van wie de huwelijksdatum op of ná 1 september 1992 valt. Wanneer u getrouwd bent op of gaat trouwen (c.q. getrouwd bent) ná 1 september 1992 gelden altijd de regels van het verdrag van 1978.

Wie kan een rechtskeuze uitbrengen?
Het verdrag geeft u de mogelijkheid om zelf te kiezen welk recht op uw huwelijksvermogensregime van toepassing zal zijn. Dit noemt men het uitbrengen van een rechtskeuze. Iedereen kan sinds 1 september 1992 zo'n rechtskeuze uitbrengen.

U bent getrouwd vóór 1 september 1992
U kunt op dit moment een rechtskeuze uitbrengen.

U bent getrouwd op of ná 1 september 1992
Ook wanneer u bent getrouwd op of gaat trouwen ná 1 september 1992 kunt u op dit moment een rechtskeuze uitbrengen.

De hoofdregels van het verdrag

Basis
Vóór alles geldt dat het recht van toepassing is dat u zelf hebt uitgekozen, de zogenaamde rechtskeuze. Als u geen rechtskeuze hebt gedaan, bepaalt het verdrag welk recht van toepassing is op uw huwelijksvermogensregime. De belangrijkste criteria die het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 daarbij hanteert zijn of u uit een nationaliteitsland of woonplaatsland afkomstig bent. En of u op het moment van de huwelijkssluiting een gemeenschappelijke nationaliteit heeft (of had). Drie belangrijke begrippen uit het verdrag zijn dus;

bulletnationaliteitsland
bulletwoonplaatsland
bulletgemeenschappelijke nationaliteit
 

Hieronder worden eerst deze drie begrippen van het verdrag uitgelegd. Daarna volgt een uiteenzetting van de regels die gelden wanneer u geen rechtskeuze uitbrengt.

Nationaliteitsland
In sommige landen geldt de regel dat het huwelijksvermogensrecht van dàt land van toepassing is, waarvan de beide echtgenoten (of in sommige gevallen één van de echtgenoten) de nationaliteit hadden (c.q. had) op het moment van huwelijkssluiting. Al deze landen worden in dit onderdeel van de site nationaliteitslanden genoemd.

Woonplaatsland
In andere landen daarentegen geldt de regel dat het huwelijksvermogensrecht van dàt land van toepassing is waarin beide echtelieden (meestal direct na de huwelijkssluiting) een gemeenschappelijke woon- en verblijfplaats (hierna woonplaats genoemd) hadden. Al deze landen worden in dit onderdeel van de site woonplaatslanden genoemd.

Gemeenschappelijke nationaliteit
Wanneer u en uw echtgenoot vóór het huwelijk dezelfde nationaliteit hebben, dan heeft u volgens het verdrag een gemeenschappelijke nationaliteit. U heeft ook een gemeenschappelijke nationaliteit wanneer één van u de nationaliteit van de ander vrijwillig door het huwelijk of na de huwelijkssluiting heeft gekregen. Dat is het geval als één van de echtgenoten deze wenst of die nationaliteit niet afwijst terwijl dat wel mogelijk is. Indien u beiden meer dan één gemeenschappelijke nationaliteit heeft dan moet u voor de uitleg van de regels van het verdrag er van uitgaan dat u niet een gemeenschappelijke nationaliteit heeft.

U en uw echtgenoot hebben beiden zowel de Nederlandse als de Italiaanse nationaliteit. U heeft allebei deze beide nationaliteiten vrijwillig verkregen. Voor de uitleg van de regels van het verdrag moet u er van uitgaan dat u geen gemeenschappelijke nationaliteit heeft.

De hoofdregel
Wanneer u geen rechtskeuze heeft uitgebracht voor uw huwelijksvermogen is het recht van het land waar u beiden direct na de huwelijkssluiting gezamenlijk gaat wonen van toepassing.

U heeft de Franse nationaliteit en uw echtgenoot heeft de Luxemburgse nationaliteit. U gaat na uw huwelijk in Nederland wonen. Dan is Nederlands recht van toepassing (let wel: Luxemburg en Frankrijk zijn verdragspartij en passen dezelfde regels toe).

U heeft de Nederlandse nationaliteit en uw echtgenoot heeft de Turkse nationaliteit. U gaat na uw huwelijk in Nederland wonen. Het Nederlandse recht is van toepassing (let wel: Turkije is geen verdragspartij. De Turkse autoriteiten passen andere regels dan de verdragsregels toe en kunnen dus tot een andere conclusie komen. Dit is bijvoorbeeld van belang indien u of uw echtgenoot in Turkije een huis bezit).

Uitzonderingen op de hoofdregel
Op deze hoofdregel worden uitzonderingen gemaakt. Die uitzonderingen doen zich alleen voor wanneer u en uw echtgenoot een gemeenschappelijke nationaliteit hebben.

bulletEerste uitzondering op de hoofdregel
U en uw echtgenoot hebben allebei de gemeenschappelijke nationaliteit van een nationaliteitsland dat bij het verdrag is aangesloten. U vestigt zich na het huwelijk beiden in hetzelfde land. In dat geval geldt het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit.

U en uw echtgenoot hebben beiden de Nederlandse nationaliteit en gaan na uw huwelijk in Engeland wonen. U houdt een bankrekening aan in Nederland. Nederland is een nationaliteitsland. Vanuit Nederlands oogpunt bezien is Nederlands recht van toepassing op uw huwelijksvermogen (let wel: Engeland is geen verdragspartij. De Engelse autoriteiten passen andere regels dan de verdragsregels toe en kunnen dus tot een andere conclusie komen. Dit is bijvoorbeeld van belang indien u of uw echtgenoot vermogen in Engeland heeft.).

N.B. bovenstaande uitzondering op de hoofdregel geldt weer niet als u allebei voor uw huwelijk al vijf jaar in een woonplaatsland woonde en daar na uw huwelijk blijft wonen. Dan geldt weer de hoofdregel, dat het recht van de woonplaats van toepassing is.

U en uw echtgenoot hebben beiden de Nederlandse nationaliteit. U gaat na uw huwelijk in Engeland wonen. Engeland is een woonplaatsland. U woonde daar overigens allebei al meer dan vijf jaar. In dat geval is vanuit Nederlands oogpunt Engels recht op uw huwelijksvermogen van toepassing (let wel: Engeland is geen verdragspartij. De Engelse autoriteiten passen andere regels dan de verdragsregels toe en kunnen dus tot een andere conclusie komen. Dit is bijvoorbeeld van belang indien u of uw echtgenoot vermogen in Engeland heeft.).

bullet

Tweede uitzondering op de hoofdregel
U heeft de gemeenschappelijke nationaliteit van een nationaliteitsland dat niet is aangesloten bij het verdrag. U gaat beiden wonen in een nationaliteitsland. Of het land waar u gaat wonen wel of geen partij is bij het verdrag doet er niet toe. In dat geval geldt het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit.
U en uw echtgenoot hebben gemeenschappelijk de Duitse nationaliteit. Duitsland is een nationaliteitsland dat niet bij het verdrag is aangesloten. U gaat beiden na uw huwelijk in Nederland wonen. Dan is Duits recht van toepassing (let wel: Duitsland is geen verdragspartij. De Duitse autoriteiten passen andere regels dan de verdragsregels toe en kunnen dus tot een andere conclusie komen. Dit is bijvoorbeeld van belang indien u of uw echtgenoot vermogen inDuitsland heeft.).

 

bullet

Derde uitzondering op de hoofdregel
U heeft een gemeenschappelijke nationaliteit en vestigt zich na uw huwelijk niet in hetzelfde land als uw echtgenoot. Het doet er niet toe of u in dit geval de nationaliteit van een nationaliteit- of van een woonplaatsland heeft. In dat geval geldt het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit.

U en uw echtgenoot hebben beiden de Britse nationaliteit. U komt beiden uit Engeland. Engeland is een woonplaatsland dat niet bij het verdrag is aangesloten. Na uw huwelijk gaat u in Nederland wonen, maar uw echtgenoot blijft in Engeland wonen. Dan is Engels recht van toepassing (let wel: Engeland is geen verdragspartij. De Engelse autoriteiten passen andere regels dan de verdragsregels toe en kunnen dus tot een andere conclusie komen. Dit is bijvoorbeeld van belang indien u of uw echtgenoot vermogen in Engeland heeft.).

Voor die gevallen waarin er wel sprake is van een gemeenschappelijke nationaliteit en een gemeenschappelijke eerste woonplaats, maar die niet vallen onder de bovengenoemde uitzonderingsregels geldt de hoofdregel dat het recht van de woonplaats van toepassing is.

U en uw echtgenoot hebben beiden de Duitse nationaliteit. Duitsland is geen verdragsland, maar wel een nationaliteitsland. Uw eerste gezamenlijke gewone verblijfplaats is in Engeland. Engeland is een woonplaatsland maar geen verdragsland. Dan is Engels recht van toepassing (let wel: Duitsland en Engeland zijn geen verdragspartij. De Duitse en Engelse autoriteiten passen andere regels dan de verdragsregels toe en kunnen dus tot een andere conclusie komen).

bulletRestcategorie
Het verdrag bevat nog één regel voor een zeldzame restcategorie. Wanneer u en uw echtgenoot geen gemeenschappelijke woonplaats hebben en u heeft geen gemeenschappelijke nationaliteit dan is van toepassing het recht van het land waarmee uw huwelijksvermogensregime het nauwst is verbonden.

U heeft de Nederlandse en uw echtgenoot de Luxemburgse nationaliteit. U blijft na uw huwelijk in Nederland wonen en uw echtgenoot in Luxemburg. Samen heeft u een woning in Nederland en het vermogen van u beiden is in Nederland belegd. Dan is Nederlands recht van toepassing op het huwelijksvermogen. Als er tenminste geen andere omstandigheden zijn, waardoor het vermogen sterker is verbonden met het Luxemburgse recht
(let wel: Luxemburg is verdragspartij en past dezelfde regels toe).

Toepasselijk worden van ander huwelijksvermogensrecht

De mogelijkheid bestaat dat op grond van het verdrag, door emigratie, immigratie of naturalisatie, het op u van toepassing zijnde huwelijksvermogensrecht vervangen wordt door het huwelijksvermogensrecht van een ander land. Deze verandering van recht treedt alleen op wanneer u op of ná 1 september 1992 bent getrouwd en u geen huwelijkse voorwaarden en/of rechtskeuze heeft gemaakt. De vervanging van het toepasselijke recht heeft gevolgen, bijvoorbeeld voor de aansprakelijkheid van schulden en de manier waarop uw huwelijksvermogen wordt verdeeld na echtscheiding of overlijden van een van beide echtgenoten. Van deze verandering krijgt u geen bericht.
Bij de in dit hoofdstuk gebruikte voorbeelden hebben de echtgenoten dus géén huwelijkse voorwaarden of een rechtskeuze gemaakt.

Emigratie
Wanneer u en uw echtgenoot na uw huwelijk eerst in Nederland en daarna in het buitenland gaan wonen, kan dit gevolgen hebben voor het huwelijksvermogen. Als u op of ná 1 september 1992 bent getrouwd en u gaat nadien in het buitenland wonen en u blijft daar langer dan 10 jaar wonen, dan kan uw huwelijksvermogensstelsel veranderen. Was u bijvoorbeeld eerst in de algehele gemeenschap van goederen getrouwd, dan hoeft dat na die 10 jaar niet meer het geval te zijn. De regels van het land waar u bent gaan wonen zullen na die 10 jaar op u van toepassing zijn.

U bent Nederlander en uw echtgenoot ook. U bent op of ná 1 september 1992 in Nederland getrouwd en u woont beiden in Nederland. Na verloop van tijd verhuist u samen naar Frankrijk. Als u 10 jaar in Frankrijk hebt gewoond, wordt het Franse huwelijksvermogensrecht van toepassing op al het in Nederland gelegen vermogen dat u na dat tijdstip verkrijgt. Van het Nederlandse wettelijke stelsel valt u in het Franse wettelijke stelsel. Let wel dat deze beide stelsels niet dezelfde inhoud hebben. (let wel: de Franse autoriteiten passen dezelfde regels toe. Dit kan van belang zijn voor uw in Frankrijk gelegen en te verwerven vermogen).

Immigratie
Wanneer u op of ná 1 september 1992 bent getrouwd, terwijl u beiden in het buitenland woonde en u komt beiden daarna in Nederland wonen, dan verandert na verloop van tien jaar uw huwelijksvermogensstelsel. Tien jaar nadat u in Nederland bent komen wonen, bent u in de Nederlandse algehele gemeenschap van goederen getrouwd.

U hebt beiden de Turkse nationaliteit, trouwt op of ná 1 september 1992 in Turkije en gaat daar wonen. Op uw huwelijksvermogen is Turks recht van toepassing. Na een paar jaar verhuist u beiden naar Nederland. Als u tien jaar in Nederland woont, valt uw huwelijksvermogen onder Nederlands recht en bent u in de algehele gemeenschap van goederen getrouwd. Dit geldt alleen voor het in Nederland gelegen vermogen dat u na dat tijdstip verkrijgt.

Als u beiden Nederlanders bent verandert het huwelijksvermogensrecht al eerder, nl. op het moment dat u samen in Nederland komt wonen.

U hebt beiden de Nederlandse nationaliteit. U trouwt op of ná 1 september 1992 in Frankrijk waar u en uw echtgenoot vóór het huwelijk al 6 jaar woonden. Uw huwelijksvermogensregime wordt beheerst door Frans recht. Na het huwelijk verhuist u samen naar Nederland. Dan valt u onder het Nederlandse huwelijksvermogensrecht op het moment dat u in Nederland komt wonen.

Naturalisatie
De verandering in het huwelijksvermogensstelsel vindt ook plaats indien u en uw echtgenoot na op of ná 1 september 1992 zijn gehuwd en u beiden daarna Nederlander wordt. Ook dan bent u, zonder dat u daar bericht van krijgt, vanaf dat moment in de Nederlandse algehele gemeenschap van goederen getrouwd.

U hebt beiden de Marokkaanse nationaliteit, trouwt op of ná 1 september 1992 in Marokko en komt in Nederland wonen. Na 7 jaar krijgt u beiden de Nederlandse nationaliteit. Vanaf dat moment valt uw huwelijksvermogen onder het Nederlands wettelijk stelsel.

Het verdrag regelt ook een ander geval van automatische verandering van het huwelijksvermogensrecht. Dit geval doet zich voor wanneer u geen gemeenschappelijke eerste woonplaats na het huwelijk heeft, daarom het gemeenschappelijke nationale recht van toepassing is en u zich later wel samen in een ander land vestigt. Het recht van het land waar u gezamenlijk bent gaan wonen is dan van toepassing.

U en uw echtgenoot hebben, als u trouwt, beiden de Deense nationaliteit. Na uw huwelijk (dat na op of ná 1 september 1992 heeft plaatsgevonden) reist u zelf een paar jaar over de hele wereld. U vestigt zich nergens terwijl uw echtgenoot in Denemarken blijft wonen. Op uw huwelijksvermogen is in die periode Deens recht van toepassing. Na zes jaar vestigt u zich beiden in Nederland. Vanaf dat moment is vanuit Nederlands standpunt Nederlands recht van toepassing en bent u in de algehele gemeenschap van goederen getrouwd (let wel: Denemarken is geen verdragspartij. De Deense autoriteiten passen andere regels dan de verdragsregels toe en kunnen dus tot een andere conclusie komen).

Ongewilde verandering voorkomen

In alle bovengenoemde gevallen kan, indien u ten aanzien van uw huwelijksvermogen niets hebt geregeld, het huwelijksvermogensstelsel van de ene op de andere dag veranderen, terwijl u dat misschien wel helemaal niet wilt. Hoe kunt u dat nu voorkomen? Door een rechtskeuze uit te brengen!

Recht in eigen hand

Rechtskeuze: waarom?
Maakt u een rechtskeuze, dan bent u er daardoor zeker van welk recht op uw huwelijksvermogensregime van toepassing is. U sluit daarmee ook de mogelijkheid uit van een ongewenste verandering van het toepasselijke recht als gevolg van emigratie, immigratie of naturalisatie. Een rechtskeuze is vooral voor een huwelijk met een internationaal karakter sterk aan te bevelen. Toch is een waarschuwing op zijn plaats. Een in Nederland gemaakte rechtskeuze heeft niet altijd het gewenste effect in de landen die niet bij het verdrag zijn aangesloten.
Het is daarom van groot belang dat u zich door een (kandidaat-)notaris laat adviseren. De (kandidaat-)notaris kan voor u nagaan of het voor u verstandig is een rechtskeuze uit te brengen en zo ja, voor welk recht.

Let wel:
U bent getrouwd vóór 1 september 1992; U kunt een rechtskeuze uitbrengen.
U bent getrouwd op of ná 1 september 1992; u kunt een rechtskeuze uitbrengen.

Waaruit kiezen?
Het verdrag maakt het niet mogelijk om voor elk willekeurig recht te kiezen. U mag alleen een keuze uitbrengen voor het recht van een land waarmee u een band heeft.
Het verdrag bepaalt dat u een keuze mag uitbrengen voor:

bullethet recht van het land waarvan u (of uw echtgenoot) de nationaliteit heeft; of
bullethet recht van het land waar u (of uw echtgenoot) woont; of
bullethet recht van het land waar u (of uw echtgenoot) direct na de huwelijkssluiting gaat wonen.

Het gekozen recht is van toepassing op uw gehele huwelijksvermogen (uw bezittingen en uw schulden). Indien u een huis in eigendom heeft is het mogelijk een aparte regeling daarvoor te maken. Voor deze woning kunt u het recht aanwijzen van het land waar het huis ligt.

Hoe moet dat?
De vorm waarin de rechtskeuze moet worden uitgebracht is afhankelijk van de plaats waar u de rechtskeuze uitbrengt of van het door u gekozen recht.
In Nederland kunt u altijd de rechtskeuze uitbrengen in een notariële akte. Uw rechtskeuze kan onderdeel zijn van huwelijkse voorwaarden. De rechtskeuze en huwelijkse voorwaarden kunnen dan in dezelfde akte worden opgenomen. U kunt ook een rechtskeuze zonder huwelijkse voorwaarden maken. Dan wordt alleen de rechtskeuze in een notariële akte opgenomen. Kiest u voor buitenlands (= niet-Nederlands) recht of brengt u de rechtskeuze in het buitenland uit, dan kan de vorm van de rechtskeuze door het door u gekozen recht worden voorgeschreven. De rechtskeuze moet dan in ieder geval op schrift staan. Het stuk moet van een datum worden voorzien en door u en uw echtgenoot worden ondertekend.

U kiest in Nederland voor Nederlands recht. In dit geval is het gekozen recht het Nederlandse recht en de plaats waar u de keuze uitbrengt Nederland. De voorschriften die in acht moeten worden genomen zijn die van het Nederlandse recht. Het Nederlandse recht schrijft hier een notariële akte voor.

U gaat als Nederlandse huwen met een Engelsman. U kiest in Nederland voor Engels recht. In dit geval zijn er twee mogelijkheden voor de vorm waarin de rechtskeuze moet worden neergelegd. U kunt kiezen voor de vorm van het Nederlandse recht (plaats van keuze). In dat geval heeft u een notariële akte nodig. U kunt ook kiezen voor de vorm van het Engelse recht (het door u gekozen recht). Het Engelse recht kent geen wettelijke vormvoorschrift in een geval als deze. Dat betekent dat u de keuze kunt neerleggen in een schriftelijk stuk, voorzien van een datum en ondertekend door u en uw echtgenoot. Echter, voor de registratie in het huwelijksgoederenregister in Nederland is een notariële akte nodig.

Registratie

Algemeen
Andere personen dan uzelf en uw echtgenoot, bijvoorbeeld schuldeisers, zijn niet zonder meer gehouden aan het tussen u en uw echtgenoot geldende huwelijksvermogensrecht. U kunt er door middel van registratie voor zorgen dat de regels van uw huwelijksvermogensstelsel wel tegenover bijvoorbeeld schuldeisers in Nederland werking hebben.

Registratie van uw verklaring
U kunt ook onder buitenlands recht vallen, zonder dat u daarvoor hebt gekozen. U kunt dan laten registreren dat u niet onder Nederlands recht valt. Voor het registreren van het gegeven dat u niet onder het Nederlandse huwelijksvermogensrecht valt is een akte van een Nederlandse notaris nodig. Uw notaris zorgt voor inschrijving van deze akte.

U en uw echtgenoot hebben de Marokkaanse nationaliteit. U komt samen in Nederland wonen. Op uw huwelijksgoederenregime is Marokkaans huwelijksvermogensrecht van toepassing. U kunt in een notariële akte van een Nederlandse notaris laten opnemen dat u niet onder Nederlands recht valt. Deze akte kan worden geregistreerd.

Let op: de registratie van uw verklaring houdt de automatische verandering van huwelijksvermogensrecht niet tegen. Een rechtskeuze doet dat wel.

Laat u na om in het Nederlands huwelijksgoederenregister te registreren dat u niet onder Nederlands recht valt, dan mag een ander, bijvoorbeeld een schuldeiser, aannemen dat u gehuwd bent volgens het Nederlands wettelijk stelsel, tenzij hij het tegendeel wist of kon weten.
Het is dan vereist dat de schuldeiser in Nederland woont en dat u en uw echtgenoot tijdens het aangaan van de schuld in Nederland woonden.

Pensioenverevening

Het toepasselijke huwelijksvermogensrecht kan van belang zijn voor de vraag of in geval van scheiding recht bestaat op pensioenverevening. Het is verstandig dit aspect te betrekken bij bijvoorbeeld de vraag of er een rechtskeuze wordt uitgebracht en zo ja, voor welk recht. Het is van belang uw (kandidaat-)notaris in kennis te stellen van het feit dat er opgebouwde pensioenrechten bestaan.

Tot slot

Het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 behandelt een belangrijk onderwerp. Het betreft immers het huwelijksvermogensrecht tussen echtgenoten en de gevolgen daarvan voor anderen. De regels van het nieuwe verdrag zijn op u van toepassing indien u op of ná 1 september 1992 getrouwd bent. Het verdrag is niet van toepassing op geregistreerde partners. Het is nog de vraag of het verdrag van toepassing is op echtgenoten van gelijk geslacht. De regels van het verdrag betreffende rechtskeuze zijn, op een kleine uitzondering na, ook op u van toepassing als u vóór 1 september 1992 bent getrouwd.

Het maken van een rechtskeuze kan veel problemen voorkomen in geval van een huwelijk met internationale aspecten. U kunt ook te maken krijgen met internationale aspecten binnen het erfrecht.
Wilt u nadere informatie over dit onderwerp hebben, dan doet u er verstandig aan advies te vragen aan een (kandidaat-)notaris.

Top

 

Samenwonen/samenlevingscontract

Verschillen tussen huwelijk, geregistreerd partnerschap en samenwonen


Vaak zal in het gesprek met de (kandidaat-)notaris de vraag rijzen welke verschillen bestaan tussen huwelijk, geregistreerd partnerschap en ongehuwd samenleven met alleen een (notarieel) samenlevingscontract. De belangrijkste verschillen zijn:
 
a Formaliteiten
Zowel huwelijk als geregistreerd partnerschap komen tot stand bij de ambtenaar van de burgerlijke stand. Ook de beëindiging van de relatie door de echtgenoten of partners is gebonden aan formaliteiten. Aan ongehuwd samenleven stelt de wet geen eisen. Een samenlevingscontract kan, maar hoeft niet te worden gemaakt.
b Levensonderhoud
Zowel gehuwden als geregistreerde partners zijn wettelijk verplicht elkaar ‘het nodige’ te verschaffen. Daarvan kan niet worden afgeweken. Na beëindiging van de relatie kan een alimentatieplicht ontstaan. ‘Gewoon’ ongehuwd samenlevenden hebben jegens elkaar geen onderhoudsplicht. Bij de vaststelling van het recht op en de hoogte van sommige uitkeringen, wordt het inkomen van de andere samenlever wel in aanmerking genomen.
c

Gemeenschap van goederen
Door het huwelijk of de registratie van het partnerschap ontstaat tussen de echtgenoten of partners van rechtswege de algehele gemeenschap van goederen. Van deze gemeenschap van goederen kan worden afgeweken door het maken van huwelijkse voorwaarden of partnerschapsvoorwaarden.
Indien men ongehuwd gaat samenleven, ontstaat geen gemeenschap van goederen. Wel kunnen goederen gezamenlijk in eigendom worden verkregen.

d Huur
Indien een gehuwd of een geregistreerd persoon woonruimte huurt voor gezamenlijke bewoning, is diens echtgenoot of geregistreerde partner automatisch medehuurder. Een ‘gewoon’ ongehuwd samenlevende partner is dat niet. Wel kunnen zij gezamenlijk een verzoek daartoe aan de verhuurder doen. Als de samenwoning twee jaar heeft geduurd, moet de verhuurder hem of haar in beginsel als medehuurder erkennen. Vóór die instemming heeft de partner van de huurder geen rechten met betrekking tot de woning.
e Pensioen
Deelnemers aan een (aanvullende) pensioenregeling bouwen ouderdomspensioen en nabestaandenpensioen (weduwen- en weduwnaarspensioen) op. Daarvoor worden bij het pensioenfonds rechten opgebouwd. Voor het geval van echtscheiding of beëindiging van geregistreerd partnerschap heeft de wetgever geregeld wat met die rechten dient te geschieden. Van toepassing is de ‘Wet verevening pensioenrechten bij scheiding’. Het tijdens het bestaan van het huwelijk of het geregistreerd partnerschap opgebouwde ouderdomspensioen wordt ¬ tussen de gewezen echtgenoten/partners verdeeld. Het nabestaandenpensioen komt, voor zover opgebouwd tot de scheidingsdatum, alleen toe aan de gewezen echtgenoot/partner.
De meeste pensioenfondsen kennen voor ongehuwd samen¬ levenden een partnerpensioen. Dat is te vergelijken met het nabestaandenpensioen. Er bestaat geen regeling voor het ouderdomspensioen. Om voor het partnerpensioen in aanmerking te komen dient aan enige vereisten te worden voldaan. Die verschillen van fonds tot fonds. Meestal wordt een notarieel samenlevingscontract verlangd. De wet pensioenrechten is niet van toepassing op “gewoon” ongehuwd samenlevenden.
f Erfrecht
In geval van huwelijk en geregistreerd partnerschap erft de langstlevende echtgenoot of partner volgens de wet samen met de kinderen. In het huidige erfrecht erven de kinderen slechts een vordering op de langstlevende en behoudt de langstlevende de hele nalatenschap. Volgens de wet erven ‘gewoon’ ongehuwd samenlevenden niet van elkaar. ‘Gewoon’ ongehuwd samenlevenden moeten daarom een testament maken.
g Successierecht
Deze belasting wordt geheven over hetgeen uit iemands nalatenschap wordt verkregen. Een langstlevende echtgenoot of langstlevende geregistreerde partner geniet een vrijstelling van 532.667 euro (2008), ongeacht hoe lang het huwelijk of de registratie duurde. Op die vrijstelling wordt echter in mindering gebracht de helft van de waarde van pensioenaanspraken [en dergelijke]. De vrijstelling bedraagt echter minimaal 149.622 euro (2008). Over het hetgeen meer dan het vrijgestelde bedrag wordt verkregen, wordt 5-27% successierecht betaald, afhankelijk van de waarde van de verkrijging.
Voor ‘gewoon’ ongehuwd samenwonenden geldt een minder ruimhartige regeling. Indien de gemeenschappelijke huishouding minder dan twee jaar heeft geduurd, bestaat er in beginsel geen vrijstelling. Na het verstrijken van de periode van twee jaar loopt de vrijstelling in drie jaar geleidelijk op naar hetzelfde bedrag als geldt voor gehuwden. Zo lang de termijn van vijf jaar niet is verstreken wordt belasting geheven naar een tarief van 41-68%. Pas na vijf jaar valt men in het gehuwdentarief [5-27%].

Samenwoners die langer dan 6 maanden:
 

-
-
-

samenwonen;
ingeschreven staan op hetzelfde woonadres in de gemeentelijke basisadministratie;
en de zorgverplichting hebben vastgelegd in een notarieel samenlevingscontract;
 

hebben direct een vrijstelling van 532.667 euro (2008). Dat is anders als de samenwoners bloedverwanten in rechte lijn zijn (bijvoorbeeld ouders of kinderen) of als de samenwoners zich voor de heffing van de inkomstenbelasting hadden kunnen laten kwalificeren als partner, maar dit hebben nagelaten gedurende vijf jaar voorafgaande aan het moment van overlijden van een van de samenwoners.

h

Kinderen
Van belang is nu of tussen een ouder en een kind 'familierechtelijke betrekkingen' bestaan.
Dat heeft gevolgen voor de geslachtsnaam, het gezag (ouderlijk gezag/voogdij), het omgangsrecht en het erfrecht.

Huwelijk man/vrouw
Wanneer sprake is van een huwelijk tussen een man en een vrouw bestaan tussen een uit een huwelijk geboren kind en zijn beide ouders automatisch familierechtelijke betrekkingen.
Huwelijk van twee vrouwen
Als in een huwelijk van twee vrouwen een kind wordt geboren, is de vrouw die het kind baart de moeder. Maar de vrouw met wie zij is getrouwd, is niet volgens de wet automatisch de andere ouder.

Huwelijk van twee mannen
Hetzelfde geldt als twee met elkaar getrouwde mannen samen een kind verzorgen en opvoeden en één van hen de vader is van het kind.

Onderhoudsplicht jegens kinderen
Wel is het zo dat de niet-ouder in een huwelijk van twee vrouwen of twee mannen als stiefouder een onderhoudsplicht jegens de kinderen in het gezin heeft. Deze plicht duurt in elk geval zo lang het huwelijk duurt.
Andere rechten en plichten kunnen alleen ontstaan door adoptie of door gezamenlijk gezag.

Adoptie
De niet-ouder kan het kind adopteren. Hierdoor wordt hij of zij in juridisch opzicht de ouder van het kind. Alle juridische familiebanden met de oorspronkelijke ouder (als die er is) worden dan doorgesneden. Dit is een ingrijpende stap en er gelden dan ook strenge voorwaarden.

Gezamenlijk gezag
De tweede mogelijkheid is minder ingrijpend en ligt praktisch soms meer voor de hand. Als de niet-ouder een nauwe persoonlijke band heeft met het kind, kunnen de ouder en de niet-ouder aan de rechter vragen om aan hen het gezamenlijke gezag toe te kennen. De niet-ouder heeft in dat geval dezelfde gezagsrechten en plichten als de ouder. Hij of zij is dan samen met de ouder in alle opzichten verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding van het kind. De ouder en zijn of haar echtgenoot kunnen de rechter ook vragen om de achternaam van het kind te wijzigen in die van de ouder of de echtgenoot.
Over een kind dat tijdens een geregistreerd partnerschap of een huwelijk tussen personen van hetzelfde geslacht wordt geboren, hebben de ouder en de echtgenoot/partner automatisch het gezamenlijk gezag, als er geen andere ouder is. Zijn de beide geregistreerde partners ouder, dan hebben zij altijd het gezamenlijk gezag. Zijn de ongehuwd samenwonenden de vader en moeder van het kind, dan kunnen zij het gezamenlijk gezag verkrijgen door een aantekening op hun verzoek in het gezagsregister bij de rechtbank.

Geregistreerde partners en ongehuwd samenwonenden
Bij ongehuwd samenleven ontstaan door de geboorte alleen familie¬rechtelijke betrekkingen tussen de moeder en het kind. Familierechtelijke betrekkingen tot de vader ontstaan eerst doordat deze het kind erkent. Deze erkenning kan reeds tijdens de zwangerschap geschieden. Erkenning is mogelijk bij de ambtenaar van de burgerlijke stand en bij de notaris.
Voor de erkenning is in beginsel de toestemming van de moeder nodig. rechtbank kan vervangende toestemming geven indien de man de verwekker is van het kind en de belangen van moeder en kind daardoor niet worden geschaad.

 

 

Checklist samenlevingscontract

De (kandidaat-)notaris is de deskundige bij uitstek op het gebied van samenlevingscontracten. Een notariële akte is weliswaar niet dwingend voorgeschreven maar wel noodzakelijk voor het treffen van bepaalde voorzieningen op erfrechtelijk gebied.
Ook voor de toekenning van een partnerpensioen is meestal een notarieel samenlevingscontract vereist. Alvorens de (kandidaat-)notaris een ontwerp van het contract maakt, zal hij onder meer de volgende vragen stellen: 

 

bulletIn hoeverre willen partijen hun inkomsten delen?
bulletIn welke verhouding nemen partijen de kosten van de huishouding voor hun rekening?
bulletWat behoort volgens partijen tot de kosten van de huishouding?
bulletDient de gezamenlijk bewoonde woning ook gemeenschappelijk eigendom te zijn?
bulletWat is het gevolg als de ene partner meer aan de financiering van de woning bijdraagt dan de ander?
bulletHoe wordt de positie versterkt van degene die samenwoont met iemand die enig eigenaar is van de woning?
bulletDienen voor gezamenlijke rekening aangeschafte inboedelgoederen en [andere] huishoudelijke spullen gemeenschappelijk eigendom te zijn?
bulletHoe moet worden aangetoond dat bepaalde zaken niet gemeenschappelijk zijn?
bulletZullen partijen gezamenlijk als huurder van de gemeenschappelijke woning optreden?
bulletMelden partijen elkaar [zo mogelijk] aan als begunstigde voor het partnerpensioen?
bulletOp welke wijze zijn overlijdensrisicoverzekeringen formeel geregeld? Is bij de zogenaamde spaarhypotheek een splitsing aangebracht tussen de spaarpremie en de risicopremie?
bulletWat zijn de gevolgen bij het uit elkaar gaan? Wie blijft in de woning? Hoe worden de gemeenschappelijke goederen verdeeld? Dient de ene partner een bijdrage te leveren aan de verhuis- en herinrichtingskosten van de andere?
bulletZou in bepaalde omstandigheden gedurende een bepaalde tijd een alimentatieplicht moeten bestaan?
bulletIs het wellicht gewenst dat de partner [niet-ouder] na beëindiging van de relatie nog enige tijd alimentatie betaalt voor het kind van de ex-partner?
bulletWat moet er gebeuren in geval van overlijden? Dient een testament te worden gemaakt ten gunste van de langstlevende partner? Moet onderscheid gemaakt worden tussen de situatie waarin afstammelingen aanwezig zijn en het geval waarin dat niet zo is?
bulletMoeten bij overlijden bepaalde goederen niet naar de partner, maar naar de familie van de overledene gaan?
bulletOp welke wijze dienen geschillen tussen partijen te worden beslist?

Een aantal van de in deze vragen aan de orde gestelde kwesties zal hierna worden toegelicht. 

Samen zelfstandig of samen delen?

Door te gaan samenleven ontstaat op zichzelf geen verplichting om bij te dragen aan de kosten van de huishouding. Ieder kan zijn eigen kosten betalen. In het samenlevingscontract kan dit anders worden geregeld. Daarin kan ook worden afgesproken dat hetgeen van de inkomens resteert tussen de partners bij helfte wordt verdeeld.

Kosten van de huishouding
Meestal wordt overeengekomen dat partijen de kosten van de huishouding voor hun rekening nemen naar evenredigheid van hun netto-inkomsten (uit arbeid).
Het verdient vaak aanbeveling te omschrijven wat zoal onder de kosten van de huishouding wordt begrepen. Rente (van de woning hypotheek) en huur vallen daar zeker onder. Maar ook autokosten, onroerendezaakbelasting en kosten van kinderopvang kunnen daaronder worden begrepen. Het is vaak ook verstandig om te omschrijven wat onder inkomen wordt verstaan.

Bank- en girorekeningen

Het aanhouden van een zogenaamde ‘en/of-rekening’ is praktisch. Ten laste daarvan kunnen de kosten van de huishouding worden betaald. Het tegoed op een en/of-rekening behoort in beginsel niet aan ieder van de partners voor de helft toe.
Met ‘en/of’ wordt slechts aangeduid dat de partners zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk over het tegoed kunnen beschikken. Het tegoed komt toe aan degene die het op de rekening heeft gestort of heeft laten storten. Heeft men afgesproken dat hetgeen van de inkomens wordt gespaard bij helfte wordt verdeeld, dan behoort het saldo van de inkomstenrekening aan ieder voor de helft.


Inboedel en dergelijke

Bij het einde van de samenwoning en met het oog op schuldeisers, is het van belang om vast te stellen wat van wie is. Bij een koelkast, magnetron of CD-speler is dat soms moeilijk. In beginsel is de eigenaar degene aan wie het goed is geleverd. Gewoonlijk is dit degene die het goed heeft betaald. Als niet duidelijk is wie eigenaar is, lijkt het redelijk om ieder voor de helft als eigenaar te beschouwen.

Een en ander maakt duidelijk dat enige administratie gewenst is, als men bijvoorbeeld bij het uit elkaar gaan geen problemen wenst. Rekeningen en bankafschriften kunnen dan later goede diensten bewijzen.
Aan het samenlevingscontract kunnen lijsten worden gehecht waarop gespecificeerd is vermeld wat door ieder van beiden of gezamenlijk is aangebracht. Deze lijsten bewijzen in beginsel wat tot ieders vermogen behoort. Het is verstandig om daarnaast af te spreken wie eigenaar is van goederen waarvan dat niet kan worden vastgesteld. 

Verblijvingsbeding

Onder het kopje 'inboedel en dergelijke' werd onder f en g al het een en ander opgemerkt over erfrecht en successierecht. Het maken van een testament is aan te raden, omdat ongehuwde samenlevers niet van elkaar erven. Daarnaast kan in het samenlevingscontract een afspraak worden gemaakt over de gezamenlijke bezittingen, bijvoorbeeld over de inboedel die gezamenlijk is aangeschaft of een woning die op beider naam staat.
Afgesproken kan worden dat deze gezamenlijke bezittingen bij overlijden van één van de partners zonder vergoeding aan de langstlevende partner toekomen. Deze afspraak wordt een “verblijvingsbeding” genoemd. Aan deze afspraak kan fiscaal voordeel verbonden zijn voor samenlevers die nog niet in aanmerking komen voor de partnervrijstelling voor het successierecht (zie g). Voor deze samenlevers is een verkrijging op grond van een verblijvingsbeding voor het successierecht onbelast.

Let op: Deze afspraak kan dus niet worden gemaakt voor zaken die eigendom zijn van één van de partners. Daarvoor blijft een regeling in het testament nodig.

Woning

Huurwoning

Het enkele feit dat men met iemand gaat samenwonen, levert geen woonrecht op.
In het samenlevingscontract kunnen over het samenwonen afspraken worden gemaakt. Een verhuurder is daaraan uiteraard niet gebonden. 
Bij de verschillen tussen de afzonderlijke samenlevingsvormen werd onder d reeds gewezen op de mogelijkheid dat de partner medehuurder wordt van de woning die de ander huurt. De woning moet dan beiden tot hoofdverblijf dienen. Als een woning wordt gehuurd, dan zal het de voorkeur verdienen dat de partners vanaf de dag dat ze gaan samenwonen samen als huurders optreden. 

Eigen woning

Als wordt samengewoond in een huis dat in eigendom toebehoort aan één van beiden, komt de niet-eigenaar in een afhankelijke positie. Eindigt de relatie dan zal hij het pand moeten verlaten. In het samenlevingscontract kan in dat geval voor een bepaalde periode een voortgezet gebruiksrecht worden toegekend. Ook worden vaak afspraken gemaakt over de verhuis- en inrichtingskosten.

Overdracht van de helft van de woning aan de ander stuit meestal af op de kosten. Zo is onder andere zes procent overdrachtsbelasting verschuldigd over de waarde van hetgeen wordt overgedragen.
Om bedoelde afhankelijkheid te voorkomen wordt in een samenlevingscontract vaak afgesproken dat in geval van (toekomstige) aankoop van een huis, dit op naam van beiden zal worden gezet.
Het verdient dan wel aanbeveling goed vast te leggen op welke wijze de financiering geschiedt en wat de gevolgen daarvan zijn bij scheiding. 
 

(Spaar)hypotheek

Indien het huis wordt gefinancierd met behulp van een hypothecaire lening, behoort de verschuldigde rente tot de kosten van de huishouding. Aflossingen komen voor rekening van de eigenaren in verhouding tot ieders deel in de eigendom. Betaalt de een te veel aan aflossing dan ontstaat een vergoedingsrecht jegens de ander.
Vaak behoeft op een hypothecaire lening of een deel daarvan niet periodiek te worden afgelost. Dan is doorgaans een spaarregeling getroffen. In plaats van aflossingen betaalt men spaarpremies aan een verzekeringsmaatschappij.
Gedurende de looptijd van de lening (bijvoorbeeld dertig jaar) wordt dan een bedrag gespaard dat samen met de (gefixeerde) beleggingswinst gelijk is aan het totale geleende bedrag. Bij een spaarhypotheek wordt het risico van voortijdig overlijden gedekt door een overlijdensrisicoverzekering.

Overlijdensrisicoverzekering
Een uitkering op grond van een overlijdensrisicoverzekering wordt met successierecht belast indien voor de verkrijging ‘iets’ aan het vermogen van de overledene is onttrokken, zoals premies.


Om te voorkomen dat successierecht betaald moet worden dient erop te worden gelet:
a)  dat de premies verschuldigd zijn door een ander dan de verzekerde (de overledene), en
b)     dat het samenlevingscontract zodanig is ingericht dat premies niet indirect toch geheel of ten dele voor rekening komen van de verzekerde (bijv. via een verrekenbeding of de kosten van de huishouding).
Het voorgaande houdt tevens in dat het bij de hypotheek’ nodig is de premie te splitsen in een spaarpremie en een risicopremie. De notaris kan u ook over dit moeilijke onderwerp nadere informatie verschaffen. 

 

Scheiding

Partijen kunnen van mening verschillen over de vraag of de relatie, en daarmede het contract, geëindigd is. Vandaar dat het zinvol kan zijn in het samenlevingscontract te regelen wanneer de relatie als beëindigd geldt. Hetgeen partijen gemeenschappelijk in eigendom hebben, zullen zij dan meestal willen verdelen. Daarover zal overeenstemming moeten worden bereikt.

In het samenlevingscontract kan een aantal zaken bij voorbaat worden geregeld. Zo kan worden vastgelegd wie in geval van scheiding in het huis mag blijven wonen. Bepaald kan worden dat degene die de bewoning voortzet aan de ander een bedrag zal betalen voor verhuiskosten en kosten van herinrichting. Ook kan worden overeengekomen dat de een gedurende een bepaalde periode aan de ander een bedrag voor zijn levensonderhoud betaalt.

Indien de woning gemeenschappelijk eigendom is zal bij toedeling aan de een, ook over de lening een nadere regeling moeten worden getroffen. Medewerking van de bank is daarvoor nodig. Voor verdeling van een huis is een notariële akte vereist.

Geschillenregeling
Een contract kan niet alles regelen. Vandaar dat in een samenlevingscontract vaak wordt geregeld op welke wijze geschillen zullen worden opgelost.  

Einde overeenkomst

De samenlevingsovereenkomst eindigt bij het einde van de samenwoning en bij overlijden.
Maar ook als de samenwoners gaan trouwen of een geregistreerd partnerschap aangaan betekent dat het einde van de overeenkomst. Wellicht dat in dat geval een overeenkomst van huwelijkse voorwaarden of van partnerschapsvoorwaarden gewenst is.  

Kosten


Over het notarieel honorarium is omzetbelasting (btw) verschuldigd.
Het samenlevingscontract wordt niet gepubliceerd, zodat in dat verband geen kosten ontstaan.  

 

Top

 

Gezag en voogdij

Minderjarigen

Voor ouders met minderjarige kinderen (kinderen die jonger zijn dan 18 jaar) is het belangrijk om na te gaan wie er voor de kinderen kan zorgen als zij er zelf niet meer zijn.

Gezamenlijk gezag door gehuwden en geregistreerde partners

Als de ouders met elkaar getrouwd zijnof met elkaar een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan oefenen zij gezamenlijk het ouderlijk gezag uit. Overlijdt één van hen, dan blijft de ander met het ouderlijk gezag belast. Overlijdt ook deze ouder dan benoemt de kantonrechter een voogd over de kinderen, tenzij de ouder in een testament al een voogd heeft benoemd. Wanneer beide ouders tegelijk overlijden geldt hetzelfde.
Als tijdens een huwelijk of een geregistreerd partnerschap een kind wordt geboren, hebben de ouder en diens echtgenoot of geregistreerde partner die niet de ouder is, ook het gezamenlijk gezag over het kind. Dit geldt alleen niet als het kind al een andere ouder heeft. Wordt bijvoorbeeld tijdens een huwelijk dat gesloten is tussen twee vrouwen een kind geboren, dan hebben zij gezamenlijk het gezag, tenzij de vader het kind al tijdens de zwangerschap heeft erkend. In dat geval oefent alleen de moeder het gezag uit.
Ongehuwde moeder

Een ongehuwde moeder die meerderjarig is als haar kind wordt geboren heeft alleen het ouderlijk gezag over haar kind. Een minderjarige moeder die ongehuwd is en ook niet gehuwd is geweest en al evenmin een geregistreerd partnerschap is aangegaan (door een huwelijk of het aangaan van een geregistreerd partnerschap eindigt de minderjarigheid) kan het gezag niet uitoefenen. Zij krijgt het gezag automatisch op het tijdstip dat zij meerderjarig wordt, tenzij op dat tijdstip een ander met het gezag is belast. In dit laatste geval kan de moeder aan de kantonrechter verzoeken om haar met het gezag te belasten. Een moeder die zestien of zeventien jaar is, kan de kinderrechter vragen haar meerderjarig te verklaren zodat zij toch het ouderlijk gezag kan krijgen.

Gezamenlijk gezag door ongehuwde ouders

Als ouders die niet met elkaar zijn gehuwd of gehuwd zijn geweest gezamenlijk het ouderlijk gezag willen krijgen moeten zij samen een verzoek tot aantekening hiervan in het gezagsregister indienen bij de griffie van het kantongerecht. Deze aantekening wordt alleen geweigerd in de volgende gevallen:
een of beide ouders zijn niet bevoegd tot het gezag;

bulletgeen van de ouders oefent het gezag uit
bulleteen van de ouders is ontheven of ontzet van het gezag en de andere ouder oefent het gezag uit;
bulleter is een voogd die met het gezag is belast;
bulleteen ouder oefent het gezag al samen met een ander dan de andere ouder uit;

 

Gezamenlijk gezag door ouder en niet-ouder

Het gezag kan ook worden uitgeoefend door een ouder samen met een niet-ouder. Als een kind tijdens het huwelijk of het geregistreerd partnerschap wordt geboren, berust het gezag alleen bij de ouder indien het kind bij de geboorte ook een andere ouder heeft. Indien het ouderlijk gezag bij één ouder berust dan kan deze samen met een niet-ouder die in een nauwe persoonlijke betrekking tot het kind staat (dat kan ook de echtgenoot of geregistreerde partner zijn) een verzoek indienen bij de rechtbank om samen het ouderlijk gezag te verkrijgen. Gezamenlijk gezag is ook mogelijk tussen een ouder en een andere persoon van hetzelfde geslacht.
Het verzoek tot gezamenlijk gezag met een niet-ouder wordt afgewezen als de belangen van het kind door het gezamenlijk gezag naar verwachting zouden worden verwaarloosd.
Indien het kind tot beide ouders in familierechtelijke betrekking staat en slechts een van de ouders met het gezag is belast, wordt het gezamenlijk verzoek van de ouder en de niet-ouder tot verkrijging van het gezamenlijk gezag alleen toegewezen als aan de volgende aanvullende voorwaarden is voldaan:

bulletde ouder en de niet-ouder hebben op de dag van het verzoek gedurende tenminste een aaneengesloten periode van één jaar voorafgaand aan het verzoek gezamenlijk de zorg voor het kind gehad;
bulletde ouder die het verzoek doet, is op de dag van het verzoek gedurende tenminste een aaneengesloten periode van drie jaar alleen met het ouderlijk gezag belast geweest.

De belangen van de andere ouder worden door de rechtbank bij het geven van een beslissing in aanmerking genomen. Van de beslissing tot gezamenlijk gezag wordt aantekening gedaan in het gezagsregister.
Samen met het verzoek tot gezamenlijk gezag kan aan de rechtbank worden verzocht om de geslachtsnaam van het kind te wijzigen in de geslachtsnaam van de met het gezag belaste ouder of de geslachtsnaam van de niet-ouder. Als het kind twaalf jaar of ouder is moet het met de naamswijziging instemmen.
Heeft de niet-ouder samen met de ouder het gezag, dan is ook hij verplicht tot het verstrekken van levensonderhoud aan het kind. Na beëindiging van het gezamenlijk gezag door de rechter of door het overlijden van de ouder blijft de onderhoudsplicht bestaan voor dezelfde tijd als het gezamenlijk gezag heeft geduurd. De rechter kan deze termijn verlengen. Eindigt het gezamenlijk gezag doordat het kind meerderjarig wordt (18 jaar) dan duurt de onderhoudsplicht tot het kind 21 jaar wordt.

Gezamenlijk gezag na echtscheiding en beëindiging van het geregistreerd partnerschap

Na echtscheiding (en na scheiding van tafel en bed) blijft het gezamenlijk gezag van de ouders - indien zij dit op het tijdstip van de echtscheiding hebben - voortbestaan. De ouders kunnen echter, zowel tezamen als ieder afzonderlijk, aan de rechtbank verzoeken om het gezag over een kind (of meer kinderen) aan één van hen toe te kennen. De rechter wijst het verzoek alleen toe als dit in het belang van het kind is.
Indien de ouders met elkaar een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, blijft het gezamenlijk gezag van de ouders na de beëindiging bestaan. Oefent een ouder tezamen met een niet-ouder met wie hij is gehuwd of een geregistreerd partnerschap is aangegaan van rechtswege het gezag uit over een kind dat tijdens het huwelijk of het geregistreerd partnerschap is geboren, dan blijft het gezag ook bestaan na de ontbinding van het huwelijk of de beëindiging van het geregistreerd partnerschap. In deze laatste gevallen kan het gezamenlijk gezag op verzoek van beiden of van een van hen door de rechtbank op grond van gewijzigde omstandigheden worden beëindigd.

Einde van het gezamenlijk gezag

Het gezamenlijk gezag eindigt:
bulletals het kind meerderjarig wordt;
bulletbij overlijden van de ouder of de niet-ouder. Indien de niet-ouder overlijdt oefent de ouder daarna alleen het gezag uit. Overlijdt de ouder, dan oefent de niet-ouder van rechtswege de voogdij (alleen) uit;
bulletindien een ouder of de niet-ouder onbevoegd is geworden tot het gezag, bijvoorbeeld door ondercuratelestelling. De andere ouder of de niet-ouder oefent gedurende de onbevoegdheid alleen het gezag uit;
bulletdoor uitspraak van de rechter op verzoek van de ouder en/of de niet-ouder. De grond van dit verzoek moet zijn dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden of dat bij de toekenning van het gezag van onjuiste gegevens is uitgegaan;
bulletdoor ontheffing of ontzetting van de ouder of de niet-ouder uit het gezag.


Indien in het laatste geval de ouder van het gezag wordt ontheven of daaruit wordt ontzet wordt eerst de andere ouder - indien die er is - in de gelegenheid gesteld om te verzoeken met het gezag te worden belast. Alleen als deze het verzoek niet doet of als dit verzoek wordt afgewezen, wordt de niet-ouder met het gezag belast.

Voogdij

Van voogdij is sprake als een ander dan de ouder het gezag over een minderjarige uitoefent. Die ander kan zowel een natuurlijk persoon zijn als een rechtspersoon. Voogdij kan ook door twee personen worden uitgeoefend. Indien er één voogd is dan moet deze er zorg voor dragen dat de minderjarige overeenkomstig zijn vermogen wordt verzorgd en opgevoed. Hij behoeft dit niet zelf te doen en hij heeft jegens de minderjarige geen onderhoudsplicht. Zijn er twee voogden dan is dit anders. Zij hebben de plicht en het recht om de minderjarige zelf te verzorgen en op te voeden en zij zijn, zolang de voogdij duurt, jegens de minderjarige onderhoudsplichtig. Een voogd wordt in beginsel benoemd door de rechter, maar kan ook bij testament benoemd worden.

Testamentaire voogdij

Iedere ouder kan bij testament bepalen wie na zijn overlijden als voogd of voogden het gezag over zijn minderjarige kinderen zal of zullen hebben. Door die benoeming heeft de rechter hier in beginsel geen taak meer.
Een rechtspersoon kan niet bij testament tot voogd worden benoemd.

De benoeming van een voogd door een ouder heeft geen gevolg als na zijn overlijden de andere ouder van rechtswege het gezag uitoefent. Dit is het geval als de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen. Overlijdt de ouder die samen met een niet-ouder het gezag uitoefende, dan wordt de niet-ouder van rechtswege voogd over de kinderen. Ook dan heeft de voogdijbenoeming door de ouder geen effect.
De aangewezen voogd hoeft pas na het overlijden te beslissen of hij de aanwijzing aanvaardt. Het is van belang om van tijd tot tijd na te gaan of de bij testament aangewezen voogd nog bereid en in staat is om de voogdij uit te oefenen. Is dat niet het geval, dan zal het testament wat dit betreft moeten worden herroepen. Daarbij kan zo mogelijk een ander als voogd worden aangewezen. De aanvaarding van de voogdij vindt plaats doordat de voogd een verklaring in die zin aflegt op de griffie van het kantongerecht.
Ook een ouder die alléén het gezag heeft over een kind kan een voogd benoemen. De andere ouder kan echter na het overlijden aan de rechter verzoeken om met het gezag te worden belast. Heeft de voogd zijn benoeming nog niet aanvaard dan wijst de rechter dit verzoek alleen af als er gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind worden verwaarloosd. Heeft de voogd zijn benoeming wel aanvaard dan moet de andere ouder, indien hij met het gezag wil worden belast, binnen een jaar na de aanvang van de voogdij een verzoek hiertoe doen. De rechter wijst ook in dit geval het verzoek alleen af als gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging van het verzoek de belangen van de kinderen zouden worden verwaarloosd. Doet de andere ouder het verzoek meer dan een jaar nadat de voogd zijn benoemd heeft aanvaard dan wordt het verzoek alleen ingewilligd als de situatie is veranderd of bij een eerdere beslissing is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens. De rechter kan voordat hij beslist, eerst de raad voor de kinderbescherming om een onderzoek vragen. Indien de rechter het verzoek van de ouder toewijst eindigt de voogdij.

Gezamenlijke voogdij

Een persoon die met de voogdij is belast kan (mits hij geen rechtspersoon is) de rechter verzoeken om naast hem een ander, die een nauwe persoonlijke band met het kind heeft, tot voogd te benoemen. Het verzoek moet door de voogd en de ander gezamenlijk worden gedaan. Afwijzing van het verzoek vindt slechts plaats als er gegronde vrees bestaat dat bij inwilliging de belangen van het kind worden verwaarloosd. Indien de rechter het verzoek inwilligt ontstaat gezamenlijke voogdij. De voogden hebben dan de plicht en het recht om zelf de minderjarige te verzorgen en op te voeden en zij zijn tijdens de voogdij jegens de minderjarige onderhoudsplichtig.
Tegelijk met het verzoek tot gezamenlijke voogdij kan een verzoek tot naamswijziging van het kind in de geslachtsnaam van een van de voogden worden gedaan.

Einde van de gezamenlijke voogdij

Gezamenlijke voogdij eindigt:

bulletzodra het kind meerderjarig wordt;
bulletna het overlijden van een van de voogden of als een van hen uit de voogdij is ontslagen of ontzet. De overblijvende voogd oefent de voogdij daarna alleen uit;
bulletdoor beëindiging van de gezamenlijke voogdij op verzoek van een of beide voogden;
bulletdoor een rechterlijke beslissing waarbij het gezag over de minderjarige aan een ander wordt opgedragen;
bulletdoor ontheffing of ontzetting uit de voogdij van (één van de) voogden.

 

Minderjarigheid: wat mag een minderjarige?

Wetswijziging

Minderjarigen zijn in beginsel alleen bevoegd zelfstandig rechtshandelingen te verrichten met toestemming van hun wettelijke vertegenwoordiger(s). Rechtshandelingen zijn handelingen waardoor rechten en plichten ontstaan, zoals kopen, huren en geld lenen.
De wetgever probeert aan te sluiten bij de praktijk van alle dag. Daarom wordt de toestemming verondersteld gegeven te zijn in gevallen waarbij dat in het dagelijks leven gebruikelijk is. Zoals bijvoorbeeld het kopen van een buskaartje, een filmkaartje of een schoolboek. De rol van de wettelijke vertegenwoordiger is dus vooral bij oudere minderjarigen een eind teruggedrongen.

Wanneer ben je minderjarig?
Kinderen worden meerderjarig bij het bereiken van de achttienjarige leeftijd. Wanneer een minderjarige trouwt, wordt hij ook meerderjarig. Hij blijft dat ook als hij gaat scheiden. Al is iemand van achttien meerderjarig, toch blijven ouders verplicht te voorzien in de kosten van studie en levensonderhoud van hun kinderen tot hun 21e jaar.

Handlichting
Het is mogelijk via handlichting de handelingsonbekwaamheid van een minderjarige gedeeltelijk op te heffen. Dit kan vanaf de leeftijd van zestien jaar. Handlichting moet aangevraagd worden bij de kantonrechter. Voor het verkrijgen van handlichting is de toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger nodig. Meestal wordt handlichting verleend in verband met de uitoefening van een bedrijf.

Minderjarigheid en naamrecht
Ouders kunnen kiezen welke achternaam hun kind gaat dragen, die van de vader of die van de moeder. Maar de keuze is wel eenmalig en moet ten tijde van de geboorte van het eerste kind (vóór of bij de aangifte) worden uitgebracht. Alle volgende kinderen uit deze relatie moeten dezelfde achternaam dragen. Anders zouden broers en zussen uit een gezin mogelijk met verschillende achternamen rondlopen.
Brengen de ouders geen keuze uit dan draagt het kind automatisch de achternaam van de vader. Bij ongehuwde ouders krijgt het kind automatisch de achternaam van de moeder. Pas als de vader het kind officieel heeft erkend, kunnen de ouders kiezen voor de achternaam van de vader. Ook zij dienen dan samen bij de burgerlijke stand tegelijk met de erkenning die keuze te maken.
Ook bij adoptie kunnen ouders kiezen, welke achternaam het geadopteerde kind zal dragen. Tenminste als het geadopteerde kind hun eerste kind is. De ouders bepalen de achternaam van het geadopteerde kind bij de rechter, waar ook de adoptie wordt geregeld. Kinderen van zestien jaar en ouder hebben zelf iets in te brengen. Wordt een kind van die leeftijd door de vader erkend of door de ouders geadopteerd, dan kiest het kind zelf zijn achternaam.

 

Curatele, bewind en mentorschap

Curatele, bewind en mentorschap zijn maatregelen voor mensen die niet (helemaal) voor zichzelf kunnen zorgen. De maatregelen zijn vooral bedoeld als een bescherming van de persoon tegen andere mensen, die misbruik van de situatie kunnen maken. De maatregelen zijn alleen mogelijk bij meerderjarigen.

Curatele
Onder curatelestelling is de meest vergaande beschermingsmaatregel. Curatele moet worden verzocht aan de rechtbank, die ook de uitspraak doet. Er zijn drie redenen voor onder curatelestelling:

bulletgeestelijke stoornis
bulletverkwisting
bulletdrankmisbruik waardoor de persoon zijn belangen niet meer waar kan nemen.

Het gaat doorgaans om mensen, die vanaf hun geboorte een verstandelijke handicap hebben, psychiatrische patiënten, verslaafden of mensen die volstrekt niet met geld om kunnen gaan. Iemand die onder curatele is gesteld, is handelingsonbekwaam en kan niet zelfstandig overeenkomsten sluiten. De curator treedt voor hem op. De onder curatele stelling moet worden gepubliceerd in de Staatscourant en twee kranten. Zo worden derden op de hoogte gesteld.

Meerderjarigenbewind
Voor ouderen, die zelf niet meer goed hun geldzaken kunnen behartigen, is curatele wel een erg zware maatregel, omdat men dan handelingsonbekwaam wordt. Daarom is er een regeling in de wet opgenomen, namelijk onderbewindstelling van meerderjarigen die veel minder zwaar is. De bewindvoerder voert het financiële beheer voor degene die onder bewind gesteld is. Het bewind van het vermogen wordt ingesteld door de kantonrechter op verzoek van de betrokkene zelf, zijn echtgenoot of levensgezel, familie of de officier van justitie. Meestal is ook een verklaring van een arts nodig. Een belangrijk verschil met curatele is, dat de bewindvoerder voor een groot aantal handelingen de toestemming van de betrokkene of machtiging van de kantonrechter nodig heeft.

Mentorschap
Het is ook mogelijk om voor iemand, die op het persoonlijke (niet-financiële) vlak niet voor zichzelf kan zorgen een mentor te benoemen. De mentor geeft advies en neemt zoveel mogelijk in overleg met degeen voor wie hij tot mentor is benoemd beslissingen op het gebied van verzorging, verpleging en andere terreinen. Ook de benoeming van een mentor moet aan de kantonrechter verzocht worden.

Top